Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE KLEERMAKER.

JEen' Snijder zijnen Baas ontloopen,

Eer hij zijn ambacht half verftond, Wierd eens, door hovaardij bekroopen,

Om zich ruim drie voet van den grond, Eene eigen monarchie te ftichten, En eenen ruimen troon van planken op te richten.

Na dat hij daar gezeten was, Wordt hij verwaardigd, om van laken,

Des Schouten Zoon' een' wijden Jas, En een volflagen kleed te maaken.

Hij neemt zoo goed hij kan, de maat, Waar op hij ftraks aan 't fnijden gaat. (Wat uitilel kan de Jeugd gehengen,

Wanneer 't den fraaijen opfchik raakt!)

Het kleed was nauwlijks afgemaakt, Of 'k zie 't hem reeds naar huis toe brengen.

Het

28

Sluiten