Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( * # # )

De alziende Hemel draag' getuigen van myn tranen,

Toen Vaders bcó de maar van uwe krankheid bragr, Toen zyne teedre zorg voor h my aandeedt manen

Op dat door mynen dienst uw kwelling werd' serzagt. Myn zucht voor uw behoud deedt alle twyfHing vlieden.

Men hadt my niet zoo ras des Konings wil cntdekt, Of 'k vloog naar. uw verblyf, om u dien dienst te bieden.

Ik vond op 't ledekant u kwynend uitgeftrekt. Wat fnood vermomde list! die diepgezonkenc oogen;

Dat ongedaan, verbleekt, en uitgeteerd gelaat; Die zuchten zelfs, wier bron ik minzaam poog, te droegen,

Dit al bereidde dan uw gruwzame euveldaad! Gy vergt my, dat myn hand u fpyze zal bereiden :.

Wilvaerdig maak ik ftraks 't begeerde voedfel toe. Gy eischt het van myn hand: ik brengt 'tu zonder beiden,

Terwyl ik op uw' wil een elk vertrekken doe. ó Epyt! 'klang zelve u 't ftaal tot myn bederf geilepen :

'kYl zelve naar den ftrjk, dien my uw geilheid fpant. Naauw biedde ik u de fpyze, of vind my aangegrepen ,

En aan uw zy gefleurd op 't dartel ledekant Wat kon ik, zwakke maagd in zulken roeftand hopen ?

Op byftand? zelve deedt ik ieder van my gaan. Ontvlochten? ach, geen weg ftondt my tot vluchten open.

Weerflreven? kan een vrouw 'tgeweld eens mans weêrftaan >

'k Zocht

Sluiten