Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DER OUDE ISRAëLITEN. 235

waar van de een geftacht en de andre moest vrygelaaten worden, zyne wet omtrend die met deeze plaage bezochten, hebbe willen'ftellen, tegen de meeninge van fommige heidenfihe volkeren omtrend het onderfcheid der Goden 5 daar zy voor aardfche Goden vo • gels ftachteden, maar, voor hemelfche Goden dezelve vry Heten wegvliegen (»')•

Terwyl zy aan de andere zyde, vermydt alle die vergezochte overeenbrengingen en vreemde toefpelingen, tot welke de Uitleggers, welke hier eenen Geestelyken zin of regelrecht of van ter zyde betrekkelyk op de inwendige reiniginge des zon-, daars door het bloed van Christus, of opzichtelyk tot de den Mesfias verwerpende Jooden in het byzonder, of betrekkelyk tot het Antichristendom, willen opdringen; vervallen zyn en vervallen moeten; gelyk hunne elkandren tegenfprekende en geheel onbeftaanbare begrippen, te vooren opgenoemd, reeds bewezen hebben.

Noch eens, deeze myne gedachte meen ik moet Zich aanbevelen, wyl zy, (het geen niemand loochenen kan, en uit de uitbreidinge ftraks nader blyken zal,) volkoomen overeenftemt met den aart der Godsregeeringe over Israël als een afgezonderd volk; en in welke hooge Godsregeeringe buiten twyfd een fchets ja voorfchrift te vinden is, van het oeen Jehovah wilde dat in zyne Kerke zoude ö on-.

(,•) Verg. SPENCERUS de Leg. Hebr. rit. parte 2. lib. 3. cap. 10. diff, 8. pag. 488»

Sluiten