Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING. sxix

hart te treffen, en diepe indrukken in hetzelve natelaten. Dit hadden alle die redenen of gedenkwaardige gezegden gemeen, welke men onder den titel van o^tf» te famen vatte; terwijl de eigenlijke fpreuken (y»«V«*i) er nog dit bij hadden, dat zij zeer kort moeften zijn, en in zeer weinige woorden ene zaak van veel gewigt moeften bevatten (»)•

Dan laat ons thands van deze algemenere eigenfchappen van de Hebreeuwfche leergedichten (uhwn) overgaan tot ene meer bijzondere behandeling, vooreerst, van dat geen, waardoor vooral de Oosterfche, met name de Hebreeuwfche fpreuken of kortere zedefpreuken zich onderfcheiden; daar het toch dezen zijn, welke ver het grootfte gedeelte van dit boek uitmaken; waarop wij dan een enkel woord van het geen deze en de andere foort van Poëzien, die in dit boek voorkomen, onder eikanderen gemeen hebben, zullen laten volgen.

Wat belangt het eerfte foort; ik merk daaromtrend in het algemeen op, dat zij allen in een foort van dichtmaat vervat zijn ; als beftaande doorgaands uit twee leden , die door ene den Hebreeuwen gewone parallelie

met

ken konde. Wie ondertusfchen de hier bedoelde Koning zij, ouderzoeke ik niet, wijl mijn oogmerk zulks thands niet medebrengt.

O) Men vergelijke hierbij Lowth, de Poëfi Sacra Hebr* Praeleit. XXIV.

Sluiten