Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

itt II. B. V. HOOFDST. MONARCHIE.

Zij waren in 't gemeen, en elk in 't bijzonder , reeds gewoon, hunne belangen ook in het verder patriotisch opzigt te befchouwen, in 't welk ieder lid van den Staat met den anderen tot één geheel verbonden is. Zij hadden reeds geleerd hunnen toeftand en hunne ganfche betrekking in 't algemeen te overzien. Zij kenden het waar belang der vrijheid. Voor zulk een' volk is ook de grootfte mensch te klein tot een koning. Onder zulk een volk kan ook de grootfte geest op geene andere wijze nuttig zijn, dan door het mededeelen zijner gedachten. Hij is daar gansch niet noodig om koning te wezen, en indien 'hij klein genoeg ware van te willen heerfchen : zo is de geest des volks te groot voor hem.

Maar moeten wij niet, wanneer wij zonder eenige partijdigheid om ons rondzien en naauwkeurig waarneemen, hoe de gefteldheid der zaaken eigenlijk is, toeftaan, dat dit volk ons groot voorkGmt?

Waarom anders, dan omdat wij, naar dezen maatftaf befchouwd, aan ons zelve , in onze eigen oogen , klein voorkomen? Zijn wij gewoon, algemeene belangen, die zulks werklijk

zijn.

Sluiten