Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

URIM en TUMMIM. *ƒ

„ Hij doe zijn aanfchijn over u lichten en zij u ge„ nadig:" — Dus is het aanfchijn doen lichten en antwoorden het zelfde.

Dit gefchréven hebbende, zie ik Uit Y. van HaMelsv. Bijb. Verd. T. 189, dat Josephus het goddelijk antwoord door de Urim en Tummim reeds verklaard heeft van een helderen glans op de ftenen van den borstlap. — Dit is mij te opmerkelijker, daar hij misfchien door ene mondelinge overlevering hier van iets kan gehoord hebben. .

De Heer van Hamelsveld maakt daar tegen deze bedenking: dat er dikwerf ene duidelijke bepaling nodig was, zo als 2 Sam. II: i. en V: 23, 124. - Doch deze zwarigheid is van geen belang. - Meestal was er alleen een toeftemmend of weigerend antwoord nodig. En wat de bijzonderheden betreft; deze konden op de zelfde wijs vernomen worden. — Bij voorbeeld: wanneer 2 Sam. Ik r. David moest optrekken na Hebron: zal hij zekerlijk enige Heden hebben opgenoemd, die hem het gefchiktfte voorkwamen, en toen Hij Hebron noemde, befchcen de Schechina de ftenen Van den borstlap. Dierhalven antwoordde de Godfpraak na Hebron. - Dit zal te meer klemmen * wanneer wij onder het oog houden, dat de Godheid van den mensch het gebruik van zijne redelijke vermogens vordert: zulks kon het genoegzaamst gefchieden, wanneer men eerst het beste overdacht, en aan de Godfpraak vroeg, of het goed was.

De gegevene verklaring komt mij dus zeer naturelijk en eenvoudig voor: en ook genoegzamen grond hebbende om aangenomen te worden.

B $ PSALM

Sluiten