Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 143 )

{te te vermijden, dan is het blijkbaar, dat hij het niet gekende kwaad moet kiezen; het fchijn-goede zal naarjaagen, en bet waare goed zal laten vaaren: hij zal naar het grootfte kwaad grijpen, en hoe langs hoe verder van zijn doel afwijken, hoe meer hij het poogt te treffen. De dwaaling is zijn wegwijzer; hij moet d waaien'; hij moet zich zelvcn berouW verfchafFen. Zulk eene dwaaling is onvermijdlijk, om dat de 1 Mensch niet alwetend is. Op deze wijze verwekt de Eigenliefde noodzaaklijk misdagen en kwaad; en zulks nog te meer, wanneer de Mensch naar grondbeginfelcn handelt. De onbedagtzame, die alles op een goed geluk laat aankomen, kan, wanneer hij in zijne verbeeldingen gedwaald heeft, met dat alles, nog bij geval, dc regte keuze treffen, om dat hij geen vast ontwerp, maar enkel het toeval volgt. Maat hij, die met doorzicht handelt, en dwaalt, moet noodzaaklijk feilen. 'Er zijn derhalven gevallen, waarin de deugd zalve kwaad verwekt. En echter zal niemand verlangen, dat de Eigenliefde het vermogen hebbe, om het waare goed zonder vergisfmg te omhelzen, cn dat zij tegen het onbekend en bedrieglijk fchijngoed alle hare kracht verliezen zal. Zij zou als dan veeL overeenkomst hebben, met het geen wij bij de Dieren Inffinkt noemen. Doch ook dan, zou de Mensch van zijn verftand beroofd zijn, of hetzelve nimmer moeten raadpleegen.

Hoe fterker de Eigenliefde is, des te krachtiger drijft zij ons tot het goede, tot onze onderhouding, tot naarjaaging van het waare heil. Dan, zij wordt ook des te gevaarlijker, om dat wij ons als dan overhaasten, en alles, zelfs het fchijngoede, des te begeeriger, des te driftiger aangrijpen. Wij dwaalen

Sluiten