is toegevoegd aan uw favorieten.

Brieven over den oirsprong en de oogmerken van het kwaad.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 220 )

De vraag is: of het zedenlijk kwaad vermijdelijk of niet vermijdelijk zij ?

Om dit te onderzoeken , was het nodig, om deszelfs bronnen, dat is , de drijfvederen van 'smenfehen doen en laten, te leeren kennen.

Deze driften of drijf veders zijn-: I i.) De inwendige aandrang der krachten, derzelver eigen veerkracht. (*)

2. ) De drift der naarvolginge. (**)

3. ) Het inftinkt. <f)

4. ) De gewoonte. (§)

5. ) De reden.

6. ) Het gevoel, waaronder de behoeften, de nei¬

gingen en de hartstochten zijn begreepen. Van alle deze drijfvederen is'er geen gevaarlijker, dan het gevoel met zijne gevolgen, en in het bijzonder de hartstocht. Hierom moesten wij onderzoeken:

„ Of de schepper ons niet zonder hartstocht had kunnen fcheppen?"

Het beandwoorden van deze vraag rust op het volgende : naamlijk,

„ Of de overige drijfveders in den mensch niet toereikende waren, om hem zoo werkzaam te maaken , als zijne welvaart zulks vereischt ?" Wij onderzochten daarom

1. ) Den inwendigen prikkel der krachten zelf, en 'i bevonden,

„ Dat dezelve geene aanhoudende, geregelde werkzaamheid konde voordbrengen — maar dat hij den mensch dan eens werkeloos, dan

eens

(*) Zie Brief XXIX. bladz, 94 en volgg.

C*) Zie Brief XXX. bladz. 93 en volgg. "*

Ct) Zie Brief XXIX. bladz. 72 en volgg.

(t) Zie Brief XXX. bladz. 95 en volgg.