Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fl . DE GEHEIMEN

de laatfte aarifpraak op de Rechten der Natuur toewijzen. Zij bepaalden naamlijk , hoe dikwijls de Polygamist verpligt zoude zijn, binnen eencn zekeren bepaalden tijd, bij zijne Vrouw den Bijflaap te verrichten. Dieper in het Heiligdom van den Echt > of over de grenfen der vrouwelijke kiesheid verdei' heehen te dringen, was onmogelijk, zonder de Heilige Altaaren in den Tempel der Natuur geheel en al om verre te werpen, — hoewel het tevens zeker is, dat het fchoone Geflacht zich onder die Volkeren , bij gebrek van fijner gevoel in de Liefde> nimmer door de Wet, welke eischtte de omhelzing van den Man als een Huwelijks Tribut te vorderen, beleedigd vondt.

De Mofaïfche Wetgeeving , volgends dewelke de Veelwijverij en Bijwijverij om de hardigheid van 's Volks harte, zoo als zich Mof es uitdrukt, veroorloofd was , bepaald wel niets uitdruklijks over de verpligting van den Man. Maar uit verfcheidene voorbeelden blijkt, dat er ten minsten een oud Landsgebruik voor handen geweest moet zijn, dat de Vrouw recht gaf, de Bijflaap van haaren Man te cisl'chen. Hier op fchijnt de plaats te doelen, Exod. XXI: 10, waar Mofcs den Man beveeld, wanneer hij eene tweede Vrouw neemt, de eerfte „ haar Dekl'cl en Huwelijkspligt niet te onttrekken." Indien dit van eene S/aavin verftaan wordt die met den Zoon ondertrouwd was, zoo kwam des te meer dit recht en eene daar op te grondene Jclagte aan eene vrije Vrouwe toe. Ook bewijst de

Ge-

Sluiten