Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ÈUANGELIE van JOANNES. H. VI: 18—21. 33'

bijftand zij wel eer in zulk een geval ondervonden hadden, zie Matth. VIII: 24—26, was niet bij hen.

Een opmerkelijk wedervaaren, 't geen niet als toe» vallig kan befchouwd worden.

Dit is in het algemeen zeker, dat, daar jesus hen gefchikt had, om in de waereld zijn Euangelie te verkondigen, en dit met veele onaangenaamheden en gevaaren verzeld zou gaan, zij, overeenkomftig dit oogmerk, in de navolging van Hem, moesten gewend worden aan armoede, moeite en lijden, en ibmtijds in gevaaren komen. Maar in het bijzonder moest het gevaar, waar in zij thans kwamen voor het tegenwoordige dienen, — Om hun te binnen te brengen hunne wederftreevigheid, waar door zij, in plaatfe van op zijn bevel terftond gewillig te vertrekken ^ daar toe hadden moeten gedwongen worden; — Ook was het gefchikt om hun de hoope, waar mede zij zich, wegens het verrichtte wonderwerk der fpijziging, nü meer dan ooit zullen gevleid hebben, van eere, rust en overvloed te zullen genieten, wanneer Hij zijn koningrijk zou oprichten , te doen ontvallen. — Als mede om hun geloof en vertrouwen. op Hem andermaal te beproeven: zij kwamen nu op nieuw in een geval, waar in zij konden toonen, wat zij van zijne voorweetenfchap, magt en albeftuur, waar van zij zoo veel ervaariug hadden, dachten; — Voorts zou het gevaar, waar in zij zich bevonden, aanleiding geeven, dat Hij hun daar van wederom eert treffende bewijs gaf, zullende hen door een famenloop van wonderen redden, gelijk Hij dan ook deed;

Want als zij omtrent 25 of 30 ftadiën gevaaren

III. deel. C »'«-"

Sluiten