Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

358 VERKLAARING van het

want Hij fpreekt in 't algemeen van een dienst? knecht, en van het geen ook nu nog plaats had, wanneer Hij zegt, niet de dienstknecht bleef, maar in den tegenwoordigen tijd, blijft niet eeuwiglijk in het huis, en zoo ook van den zoon, dat die eei> wiglijk blijft.

Men heeft, om zijne meening wel te verftaan, op de aandacht te houden, het geval dat Hij onderftelt, wanneer het blijkbaar is, dat het zelve algemeen is, en ten allen tijde zijne waarheid heeft. Hij onderftelt, dat de bezitting van den vader tot den zoon overgaat; want waarom zou Hij anders aan den zoon, en niet aan den vader toekennen, dat die den dienstknecht vrijmaakt. Hier bij moet men in acht neemen, dat dikwerf van iemand iets gezegd wordt dat Hij doet, terwijl men zijn recht daar toe alleen, of ook te gelijk op het oog heeft. Bij voorbeeld, als paulus zegt, dat nie, txatid zich zeiven die eere neemt om Hoogepriester te zijn, Hebr. V: 4, is zijne meening: niemand heeft recht om die eere of waardigheid te neemen; zoo ook hier: de dienstknecht blijft niet eeuwiglijk in huis, dat is, Hij heeft geen recht, om daar in altoos te blijven, maar de zoon, die, gelijk hij recht op alles heeft, dat des vaders was, zoo ook op het huis, blijft daar in eeuwiglijk, of heeft recht daar in altoos te blijven.

Dit nu brengt jesus tot zijn oogmerk over, en zegt: Indien dan de zoon u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult gij waarlijk vrij zijn.

Hij verklaart dus de Joden voor dienstknechten, en zich zeiven voor den Zoon des huizes. — Door fcf huis bedoelt Hij de Kerk, waar in God woont

en

Sluiten