Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EUANGELIE van JOANNES. H. XX: 239

twaelve, gefeght Didymus, en was met haer niet doe Jefus [daer] quam. 25. De andere difcipelen dan feyden tot hem, Wij hebben den Heere gefien. Doch hy feyde tot haer, Indien ick in fijne handen niet en fie het teecken der nagelen, ende mijnen vinger en Jleke in 't teecken der nagelen, ende fleke mijne hant in fijne zijde, ick én fal geen fins gelooven. 26. Ende na acht dagen waren fijne difcipelen wederom binnen, ende Thomas met haer: [ende] Jefus quam als de deuren gefloten waren, ende ftont in 't midden , ende feyde , Vrede zy u-lieden. 27. Daer na feyde hy tot Tho* mas, Brenght uwen vinger hier, ende ftet mijne handen , ende brenght uwe hant, ende fteecktfe in mijne zyde, Ende en zijt niet ongeloovigh, maer geloovigh. 28, Ende Thomas antwoordde ende feyde tot hem, Mijn Heere, ende mijn Godt. 29. Jefus feyde tot hem, Om dat gy my gefien hebt Thoma foo hebt gy gelooft: faligh [zijnfif] die niet en fullen gefien hebben, ende [nochtans] fullen gelooft hebben. 30. Jefus dan heeft noch wel vele andere teeckenen in de tegenwoordigheyt fijner difcipelen gedaen, die niet en zijn gefchreven in dit boeck, 3f. Maer defe zijn gefchreven, op dat gy geloovet dat Jefus is de Christus, de Sone Godts: ende op dat gy geloovende het leven hebbet in fijnen name.

ƒ0.

Sluiten