Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 't harte aankweekt der Dichtrenfchaaren, Door hunne lettervrucht naar eisch, in al haar kracht Ten hoogen Schouwburg op te voeren, ryk in pracht.

Wilt, wilt rnyn hulde ook thans ontfangen, Die 'k U gulhartig aan durf biên, (Daar 'k U hier 't eerst van 't Jaar mag zien,) Voor 't goede dat ik blyf erlangen, Van 't koele herfst tot het bevallig lentfaifoen, Zoo zal ik naar myn' Wensch U ook myn' plicht voldoen.

Leeft lang, leeft vreedzaam, zonder kwaaien. Blyft, van 't geen hindert, fteeds bevryd. Regeert nog lang deez' burg met vlyt, Op dat zyn lof moog' zegepraalen, En ü de kunstmin daar zy U haar achti-ig toon' Voor uwe arbeidzaamheid, met groene lauwren kroon.

6

Zangbergdichters! Letterbraaven!

Dichtkunstkweekers! die door vlyt, Taaie en Dichtkunst wiit befchaaven;

U geleerdheid hebt gewyd!

'k Zal, als eertyds, Ubegroeten,

Vol van waare erkentenis, En de onfchatb're driften boeten,

Daar myn hart van zwanger is. 'k Weet gy zult de zucht niet wraaken,

Die my, Jaaren achc-jr een, U eerbiedig deedt genaaken,

Als het Nieuwe-jaar verfcheen: U myn Wenfehen toe te zwaai jen,

Die ons roem en vooideel geeft, En de rype vrucht doet maaijen,

Waar

Sluiten