Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 18 )

Ter voorkoming van het aanbranden, wanneer het Wasch gefmolten wordt, moet de Ketel van alle kanten vast ingefloten zyn door het metfelwerk, zoo dat het vuur niet dan van onderen aan de Ketel raake, en de vlam alleenlyk het uiterst einde derzelve bereiken konne. •— Wil men nog zekerer* behoedmiddelen tegen het aanbranden, dan giet men in den beginne by het Wasch onder in de Ketel ■water, en roert het aanhoudend om; ook moet men niet te veel hitte of vuurftof in het Wasch doen overgaan, maar hetzelve langzamerhand over een zagt vuur fmelten, zoodra het vloeibaar is , uit de Ketel laten loopeu, en vervolgends overfcheppen.

Hierop volgt het pletten, welk op deze wyze gefchiedt. Men ftort of tapt naamlyk het gefmolten Wasch in een groot Vat, laat het daarin in eenige minuten ftaan, en doet, door eene nederploffing, alle de onzuiverheden die zich daarin nog. bevinden , op den bodem zinken. Vervolgends opent men de pyp, welke ter zyde van dit Vat is aangebragt, en draait te gelyk de half in het water hangende en dus altyd koudblyvende rol, geftadig om. Boven deze rol ligt een tinnen buis of goot , met veêle kleene openingeh voorzien, door welke het Wasch droppelsgewyze heen valt op de rol, die hetzelve door hare koude oogenbliklyk doet zamenftollen tot langwerpige dunne draaden of ftrooken. Vermids nu de rol nat en koud blyft, kleeven deze ftrooken Wasch daaraan niet vast, maar glyden iirhet water van de onderftaande Kuip neder. Hieruit worden zy met eene hark opgehaald, en in manden naar de bleek gebragt. Hoe fneïler men draait, hoe fyner en dunner de ftrooken zyn. Op deze wyze , weet men by ondervinding, dat in 2. uuren tyds 1300 é Wasch konnen geplet worden.

Op het plat maaken volgt het bleeken van het Wasch. Hiertoe zoekt men eene plaats uit, die zoo min mooglyk aan winden , ftof en rook, is blootgefteld. Allergefchiktst is ten dien einde een grasperk , waarlangs een zuiver water ftroomt. Op deze bleek heeft men een aantal langwerpig, vierkante, houten raamen, met linnen bekleed, die Tafels, Planen of Quarrées genoemd worden;' hierop worden de ftrooken. of fchyven Wasch enkel uitgefpreid, by fterken zonnefchyn zomtyds met fchoon koud water befproeid , en herhaalde reizen omgekeerd.. Wanneer er felle wind of ftorm opkomt, fchuift men alles by elkander, en. fpant er. de. helft, vaa het linnen overheen,.

De duuring der bleektyd hangt veelal af van het weder. Veel en fterke wind of regen vertraagt het bleeken, dan, by goed weêr, kan men in 4 a 6 weeken het buitenfte der dunne Waschbladeren of ftrooken wit bleeken; even» wel is hiermede het bleeken nog niet geheel afgelopen , dewyl van binnen in da Waschftrooken altoos veele anders gecouleurde deelen en onreinigheden overblyven. Men is dus verplicht de reeds gebleekte Wasch nog éénste fmelten , het geen men Halfwit-fmelten noemt. Dus gefmolten, wordt hetzelve andermaal als voorheen behandeld, en op de bleek gebragt, doch dit laatfte loopt doorgaands binnen 14 dagen af. Om het Wasch nu niet aan zoo dunne ftrooken te laten blyven, fmelt men het re zamen (ft geen men Wit-fmelten noemt) en giet het in vormen. — Dit is de gewoone manier van Wasch bleeken.

Vermids dit bleeken niet langer dan omtrent de vier warmfte maanden van het jaar duurt, kan men vervolgends de werklieden, die men daartoe gebruikt heeft, den overigen tyd van het jaar bezig houden met het maaken van Waschkaarslén, Waschpypen en Flambouwen. De pitten der Waschkaarsfen worden gemaakt van Catoengaren ; neemende men daartoe het liefst Catoen van de Catoenplant. Men heeft wel toetezien, dat de draad gelykmatig van dikte, niet te los noch te vast gefponnen , en zonder knobbels en onzuiverheden zy, gelyk" ook' de behoorfyke evenredigheid tusfehen de dikte der pitten en van de Kaars moet worden in acht genomen. — Hierom worden, naar mate men dikkere of dunnere Kaarsfen maaken wil, 6, 8 a 10 draaden op de pitbank, met behulp van een pitmeeter enz., te gelyk afgemeten en afgefneden. Het is nuttig , de een weinig in één gedraaide draaden met Wasch te wryven , of ze kort voor het gebruik in Wyiigeest te doopen , waarin Campher ontbonden is. Eene hoofdzaak, v/aarop de Waschlichtmaaker zich voor alles behoort toeteleggen, is, dat men het Wasch tot den hoogften trap van witheid en fchoonheid brenge; dit nu kan men niet bereiken, indien men de Kaarsfen of-in vormen giet of trekt: in het eerfte geval zou het Wasch zich vastzetten, en in liet tweede zou hetzelve op eene andere wyze nadeel lyden. Men omkleede dus het pit met Wasch op de volgende manier, welke door ervaring als de beste en voeglykfte is aangeprezen.

Men hangt de pitten aan een houten of yzeren raam, dat in alle richtingen beweegbaar is9 en bekleedt ze: van onderen» waar

zv.

Sluiten