Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BARMHARTIGHEID.

BARMHARTIGHEID. 69

ryke bron, waar uit die opwellen. Waarom de Apostelen des Heeren in hunne Zeegenwenfcheii zeer dikwils der barmhartig* heid Godts mede gedacht hebben. Ais 1 Tim. I: a, -Tit. I: 4, 2 Joh, vs. 3, Jud. vs. a. Om dat Paulus dit toewenscht: (33) Isliet Onefiphorus zelv', maar aan zyn Huis, zo hebben fommigen daar uit willen opmaaken, dat Onefiphorus nu reeds dood was: En dat te meer, om dat de Apostel Timotheus beveelt, het Huis van Onefiphorus te groeten, Cap. IV: 19. Maar konde de Apostel niet geweeten hebben,dat hy, ten tyde van het fchryven deezes Briefs , van huis-was , en zich elders-onthield, 't zy ter zaake van Koophandel, of om andere reedenen? 'Er is meer grond om dat te vermoeden, dan dat hy reeds dood'zou zyn geweest. (3) Want- in het 1-8. vs. boezemt hy ook zyn-zeegenend hart uit over Onefiphorus in 't byzonder. Wat nut zoude nu zyn zeegenen en bidden hebben kunnen toebrengen aan zynen reeds dooden Vriend, wiens eeuwig lot reeds onherroepelyk beflist was ? Het Bygeloof, 't welk van een Vagevuur droomt , mag den Geftorvenen , ter fpoediger verlosfinge 'er uit, Godts barmhartigheid toebidden: Maar daar dat verdichtfel in den Bybel niet bekend is, heeft Paulus 'er zekerlyk niet om gedacht. Onefiphorus leefde dan nog'. Laaten-wy dan nu zien , wat hy hem wenschte. 't Was : De Heere geeve hem—. (NS) De Apostel fpreekt van twee Heeren: De eene, van wien hy bidt, dat Hy hem iets geeve , is pngetwyffeld de Vader; de andere is dan'de Heere Jefus Christus, De Man, die, van Godt verordineerd is, .om op eenen daar toe be/lemden dag den gantfehen -Aardbodem rechtvaerdigr lyk te cordeelen, als wanneer alle menfchen voor Hem-zullen moeten geopenbaard worden, op dat een iegelyk wechdraagc, naar 't geene hy gedaan heeft. (33) Wat Paulus -nu wenschte, dat hem van den eerften Heere zoude gegeeven worden 3-wordt niet uitgedrukt ; maar is ligtelyk op te maaken uit het einde, waar toe het henrzoude moeten gegeeven worden: Te weeten-, dat hy Barmhartigheid vinde by den anderen Heere. en dat in dien dag , dien grooten en vreezelyken dag des Oordeels. Gelyk hy dan zyne kniën eens geboogen hadde voor-den Godt en Vader van ofi,zen Heere

Jefus Christus, ten goede van dc Ephefiërs, Ephef. III: 14—17; zo zal hy het ook nu gedaan hebben voor Onefiphorus, dat die hem wilde geeven , naar den rykdom zyner heerlykheid, verfterkt te worden met kragt, door zynen Geest,, in den imvendigen mensch, op dat Christus door het geloof in zyn harte mogt blyven- woonen , en hy zo in de liefde mogt geworteld en gegrond zyn, dat hy met zo veele lydzaamheid en trouwe den goeden ftryd des geloofs zou kunnen volftryuen, dat hy in dien dag barmhartigheid mogt vinden by den Heere; uit genade waerdig geagt worden om te ftaan voor den Zoon des menfchen, en van denzelven te ontvangen de onverwelkbaare kroon der heerlykheid.

BARMHAKTIGHEID (Ende, of Maar de) roemt tegen het Oordeel, Jak. II: 13b. (X) Als men deeze woorden zal verkla'aren , doet zich aanftonds de vraage op: Van wiens Barmhartigheidfpreekt de Apostel? (NK) By veele Uitleggers is het de Barmhartigheid Godts. (*) Maar het zo neemende, zal men mogen vraagen: Wie zyn het , ten voordeele van welken , Godts barmhartigheid roemt, -of pleit (welke beteekenis het roemen hier moet hebben) tegen het Oordeel? De Apostel bepaalt het niet. Als men dan die-Perfoonen in dit 13. vs. zou moeten zoeken , dan zouden het die moeten zyn, van welken even te vooren gefprooken was : Die hardvogtigen, dit geene Barmhartigheid gedaan hadden*- En dan zou het zo veel zyn, als hadde Jakobus willen zeggen: Niet te „ min ik zo even gezegd hebbe, dat over „ dezelve een onbarmhartig oordeel zal gaan, „ 't zal evenwel over hen niet koomen. „ Zy hadden het wel verdiend : Maar „. Godts Barmhartigheid is zo oneindig „ groot, dat die nog, ten hunnen voor„ deele, zal roemen, of pleiten tegen dat „ •oordeel."' Niemand , denke ik , zal zo eenen zin aan onze woorden willen hegten. Qs) Waarom heeft men 'er dan hier Godts barmhartigheid door willen verftaan ? Zekerlyk , op dat de Werkheilige niet mogt vallen in het denkbeeld, als ftak ?er in zyne Barmhartigheid iets verdienftelyks, waar op hy zoude kunnen -roemen tegen een veröordeelend oordeel, 't welk hy anders zou verdiend hebben. - Maar is dat de reede , dan zou men ook moeten wechdoen zo veele andere, en zelfs zeer

I 3 groo-

Sluiten