Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5*2. Z O n n e:

doenelyk is de klagte van den Abt van Urspcrïgen over den Staat van 't Roomfche Hof, in het leeven van den Keizer Philippus Barbarosfa., ten jaare 1198, in zyne Hiftorie Fol. 321. „ Verblyd u, heilige „ Moeder de Kerk, omdat geopend, wor„ den de Huizen der fchatten op aarde, 5, op dat na u toe mogen vloeijen beeken „ en hoopen van geld in grooten over„ vloed. Verblyd u over de groote Godt„ loosheid van dc Kinderen der menfchen,. s, om dat u , tot vergelding van groote « zonden, prys betaald wordt ——. Tot ,-, u worden de menfchen getrokken, niet. 9, door hunne aandacht, of zuivere Kon„ fciëntie, maar door het bedryf van me99 nigvuldige fchelmftukken.""- Daar nu zulke Leeringen gcdreeven werden, en , hoe gedrochtelyk ze ook waren, alomme gereeden ingang vonden , wegens de zo groote toen heerfchende Onweetendheid, zo kan men ligtelyk denken, dat dit geloof in Christus Jefus, waar door men ontvangt vergeevinge van zonden, en een erfdeel onder de Gcheiligden , noch gekend , noch geöeifend werd. (£) Hier uit vloeide ook voort een algemeen en fchreeuwend Bederf in dc Zeeden.. Als Bareniüs . van de Paufen van dien tyd fpreekt, befchryft hy ze voor een groot gedeelte als Monfters van Godtloosheid: En dien tyd, als een tyd, in welken op den Stoel van Petrus, weiken de Engelen. 111 den Heemel met eerbied bewonderen , geen Paufen , maar Wangedrochten-gezeeten hebben 3 en welken dc Stoel van Petrus fomtyds door fchaamtelooze Hoeren bezorgd werd aan haare Boelen. Platina heeft ïange te vooren 'er op dien zelfden trant van gefchreeven. Hy maakte eene vergélyking tusfehen deezen en de eerfte Bisfchoppen der Roomfche Kerk. Van de Laatften zeide hy, dat zy, of, die waerdigheid niet aannamen» of zo zy ze aannamen,.de Kerk zochten te ftichten:Maar van de toennjaalige. zegt hy , dat zy de fchandelykftê middelen uitdachten , om 'er toe te geraaken, en , wanneer zy 'er toe gekoomen waren, dan zelfs den fchyn van Godtsdienst aan,eene zyde fchoven, en zich wentelden in de allerfchandelyk-. fte wellusten. Daar de Hoofden zo waren , kan men dan wel wat beeters verwachten van de mindere Geestelykheid?

Z O n n E.

Bemardus, Abt van Clareval, naderhand' door Paus Alexander den 111 , onder de Heiligen geplaatst, roept 'er over uit in een Gebed tot Godt: „ De Godtloosheid „ is uitgegaan van de oudfte Richteren, „ van uwe Stadhouders , die uw Volk „.fchynen te regeeren.. Men kan niet „ eens meer zeggen: Zo als het-Volk is, „ zyn ook de Priesters, dewyl de Pries„. ters nog llimmer zyn, dan het Volk." En in een Boek aan Paus Eugenius klaagt hy ,, dat de Kerklyke Eerampten bekleed, „ wierden door zulken, die op de Apos„ tolifche magt trotfeerd'en, en ondertus„ fchen gierjg waren, met Simonie, on„ kuischheid, bloedfchande, en dierge„ lyke affchuwlykheeden meer bevlekt." De Gefchiedfchryver Alred. geeft de klagte van Koning Edgar'm deezer voegen op:„ Moet ik het zeggen , waar over alle • „: reedclyke harten weenen, en alle Godt„ loozen lagchen zullen? Ja ik moet het „ zeggen, hoewel het van myne zyde ge„ fchiedt met eene allergevoeligfte droef-" „ heid. Men vindt onder de Geestelyk„ heid niet anders, dan vreeten, zuipen, ,, en fchandelyke Ontucht. , De woonin„ gen der Geestelyken zyn gantsch eer„. loos, en een gewisfe toevlugt gewor„ den voor fchaamtelooze Hoeren.. Dag „ en nacht, wordt in dezelve gefpeeld , „ gezoopen, gedanst, en gehoereerd." Daar de Geestelykheid zo was, hoe groot zal dan niet geweest zyn de Zeedeloosheid van het Volk ? Tc meer, daar, men aan hetzelve zo veele , doch alle valfche, middelen aan de hand gaf, om zich te beveiligen tegen de Strafgevolgen" van de fpoodfte wanbedryven.. Wien het lust kan van dit alles meer vinden in 't geene van die tyden. is aangeteekend door Archib*. Bower Plift. der Paufen; Fred. Everhi Rambach , Onpartydige Hift. des Pausdoms ; en J, L. Mosheim, Kcrkl. Gefchiedenisfen, en verder by de door die aangehaalde, zo oude, als laatere Roomfche Schryvers. Anderen verkiaaren deeze Verduistering der vierde Bazuine. van de • Verduistering in magt en aanzien van het Jüizerryk, in het Westen, en in het Oosten. Wie daar toe mogt overhellen, endaar in-voorlichtinge begeert, raadpleege. onzen. Fitringa, de Eng. Godtgeleerden, Thom-. Newton, en het kortelyk aangeteekende van Reinbeck.

Sluiten