Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ft AVOÜ DTYDKORTINGEB

,-, Leoncius Eugenie agter de Haag beluisterde*

„ was dat niet een weinigje onbefcheiden ? " »

„ Uwe kiesheid behaagt my zeer, myn lieve Ce?, far, en uwe aanmerking is ook allergegrondst. ^ Het is waar, dat Leoncius wel-verzeekerd was, „ dat Eugenie van niemand anders dan van de» „ goeden Jeronimo zou fpreeken, en dat hy ook „ zeer wel wist, dat zy geene geheimen met Va„ lentine te verhandelen had.- Maar met dat al, -,, deed hy zeer kwalyk 5 dat hy haar beluisterde. „ Zodra eene zaak in zig zelve te mispryzen is , „ muet men die nooit doen, hoedanig ook het „ oogmerk zyn moge, dat men daar mede bedoc„ le. Ik zal tragten, myne lieve Kinderen, om „ u wel te leercn onderfcheiden , wat goed en

recht, wat kwaad en fchandefyk is; en, wan„ neer gy eens die ontfchatbaare kennis zult ver„ kreegen hebben, dan ben ik verzeekerd, zult 3, gy de deugd beminnen, om dat niets beminne„ lyker, en de ondeugd haaten ,om dat niets ver„ foeilyker in zig zelve is; en, als gy waarlyk

gelukkig, en algemeen geacht en bemind wilt s, zyn, neemt ü dan vast voor, nooit iets beris5, pelyks te doen, hoedanig ook de byzondere om-

ftandigheeden , en hoe zuiver de oogmerken „ daar van in uwe eigene oogen zyn mogen."

Dit gezegd hebbende, ftond Mevrouw de Clemire op ; en , na dat men elkander eenen goeden nagt gewenscht had, ging elk naar zyne kamer,

Mc?

Sluiten