Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'Alnmtent vtrm&cming en opwekking tot Boete.

Ik geef het nu, in uwe hand,

Naar dien gy 't hebt bekeeret, Maak gy my den toch regt bereid , _ Om >t woord van uw rechtvaardigheit, Naar uw regt te leeren. ^jef.49, 8. Maar gy myn God gy moet my ook. d ii. ' Den weg bereiden in uw boek, «Jef 45, Naar dien gy 't hebt gefproken. e. l' °" 3* Gy moet my leiden by de hand, Gy moet my zetten in den ftand,

Waar gy 't kunt door my werken, Het werk van uw rechtvaardigheit, Het werk van uw barmhertigheit,

Naar dien 't kan vrugten brengen. Ja vrugten laat het brengen tog, Tot 's menfchen geluk tot uwen lof, Hier en in alle landen, o. De eer, die laat nooit myne zyn, Neen geeft zy u, o Jefus rein ,

Nooit geeft zy my, myn Koning ! Zyis, zyblyftu t' allen tyd, Laat toch maar u rechtvaardigheit,

In vollen ligte branden. Wat gy nog kwades aan my ziet, Van eerzugt, die tot myn verdriet,

Nog in myn hert doet branden, Dat neemt tog alle gansch uit my, En laat den ootmoeh grooien frey,>r Toe uwer eer myn Koning, io. Zo zeegene nu o Goddes licht, Het werk van u , dat uw gezicht, Door my doet zelfs verrigten. Laat my tog u vergeeten niet, Het zou maar zyn tot myn verdriet,

Zo ik u niet regt vreesde. Heer laat my tog tot uwer eer, Uw lof doen hooien meer en meer,

Hier en in alle landen, Sterkt gy my maar tot uwer eer, En laat den flaap my tog niet meer, In uwen werk doen fchaden. ii.Het licht laat in my liefryk zyn, En leid my in den genaden fchein,

Van uwe waarhei t zei ven, Geeft gy den woorden ook de kragt, Die gy door my fpreekt in de nagt, ƒ pr 92, Op uwer harp en fnaaren. f 3..3- 4- Het gaat zeer kostelyk, Jefus myn,

Wan gy de harpe zeiven zyt,

En zelfs de fnaar doet ftreelen, Dan gaat de Klank van allen kant, Op dat zy in het ganfche Land,

Den klank wel ras doen hooren. ia. Heer laat het Lied van u myn Heer, Maar klingen doen tot uwer Eer,

In allen Land op Aarde, En fpreekt tot alle die 't zien kan, Ziet, hoort het Lied tog in den klang,

En let tog op de fnaaren. g fler^5. Let op het woord, dat gy hier hoord, 3°- 3 • Gy zult wel ras aan veelen oord,

Het ongluk zien opdaagen, Ik wil zo fpreekt de Heer ja zelfs, Die trotsheit en het groot gewelt,

Der Goddeloozen dempen, h AJef.13,

13. Nu menfchen hoort tog nn recht toe, En laat ons rechte boete doen,

Ach laat u tog bekeeren, Vertoeft niet meer het is nu tyd, Dat wy van bittere haat en nyd,

Volkomen af doen wyken, Gaat heen tot Jefum, Chrilten al, Zo gy nog lust hebt aan zyn maal,

Ja bid hem zelfs om kragten, Tot's Heeren lof, zo nut voor u, Op dat uw Ziel ih rust by u,

Door Jefus zy behouden.

14. Voor 't ongluk dat nog komen zal, Om onze groote zonden al,

Daar meê wy God gehoonet. Toen wy zyn langmoet achten niet, Maar liepen zo het onz gebiet,

En ons, ons Hart deet leeren. Wy achten uw gebooden niet En dachten, de Heere ziet ons niet,

Toen wy de zonde volgden. Of God ons wel tot Boete riep, Wy achten zulke Itemme niet, i spr.

De zond deet ons bekooren. Sal 1,

15. Ach Heer heb toch met ons geduld, 2°-23« Met ons, daar wy ons zonden fchuld,

Door u, voor u bekennen , Wy bidden om barmhertigheit, Wy zoeken uw rechvaardigheit,

Die gy ons hebt gewonnen. Vergeef ons, onze zonden fchuld,

En

Sluiten