Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

320 ARMINIUS. (HERMAN)

ARMINIUS (HERMAN), een doorlugtig en stoutmoedig veldheer der Cheruscen, die tussen de Wezer en de Elve woonden, was een zoon van den vorst Segimer, en heeft den roemrijken naam, van beschermer van de Duitsche vrijheid, door zijne manmoedige krijgsbedrijven tegen de Romeinen, verkregen. Hij is onder hen opgevoed, en heeft hun goede diensten gedaan, waarom hem ook Keizer Augustus het Roomse burgerregt en de ridderlijke waardigheid geschonken heeft. Doch als Quintilius Varus uit Sijrie komende, en gewoon de Oosterse volken slaafagtig te handelen, tot Romeinsen Stadhouder, in de Duitse wingewesten aan den Rhijn, door Augustus was aangesteld, kon Arminius niet dulden, dat deze nieuwe Landvoogd, de vrijheidminnende Duitsers, op den zelvden voet, als de slaafagtige Aziatise Volkeren zou handelen. Arminius dan, die tegen den vrijborstigen aart der Duitjers, in de listige en slinkse streken der Romeinen, toen ter tijd gebruikelijk, wel moet bedreven zijn geweest, wist zig van het aanwassende misnoegen zijner landlieden zo wel te bedienen, dat hij hen in 't geheim aanspoorde, om de Romeinse dwingelandij in hunne gewesten uit te roeijen, en hen ten dien einde riedt tot het aangaan van vaste verbindtenissen onder elkander. Intusschen gaf de vertrouwde en gemeenzame omgang van Arminius met Varus, hem bekwame gelegenheid, om alle de aanslagen van Varus te bespieden, en aan de hoofden van de zaamgezworene Duitsers te ontdekken, onder welke de vermaardste waren, Arpus, Hertog der Catten, de Hertogen en Vorsten der Chassuariers, Dulgibiers, Boji, Chaucen en Brueteren; en schoon Segestes, het hoofd en vorst der Chassuariers en Dulgibiers, deze zamenzwering van Arminius aan Varus , nog in tijds openbaarde, zo was Varus toch met Arminius zodanig ingenomen, dat hij in het minste geen agterdogt tegens hem opvatte, en aan de ontdekking van Segestes geen geloof sloeg maar integendeel Arminius te edelmoedig achtte, dan dat hij met zulk een schandelijk verraad zou aangespannen hebben; intusschen wagtten Arminius en zijne verbondelingen, slegts maar naar ene bekwame gelegenheid, om Varus en zijne

Sluiten