is toegevoegd aan uw favorieten.

Biographisch woordenboek der Nederlanden [...]. Eerste(-achtste) deel.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'BEKKER. (PjALTTIASAK) 22?

blaam gezuiverd, en getoond, dat hij het aanwezen van Geesten en Engelen buiten God, erkende. Tot beter verftand, oirdelen wij niet ondienftig, 's ir.ans gevoelen hier omtrent voor te dragen, zodanig hij het zelve betoogd heeft in ene ^cftjiftcln'he fatfêfactfe/ aan dc Klasfis van Amfteldam ingele' verd: „ Hij erkende daar in namelijk, i. dat 'er Geesten zijn „ van God gefchapen, denkende wezens, geheel wat anders „, in hunne natuur en werking, dan de Iighamen en hunne „ werkingen kunnen zijn. 2. Dat deze Geesten zijn, ofmen„ fchelijke, dat is onssjrrenfehen door de fchepping gegeven , „ en voortgebragt tot een lighaam, om met het zelve verenigd „ zijnde, te werken. 3. Of ook andere, die tot geen lighaam „ zijn gefchapen, om in vereniging daarvan, gelijk de men„ fchelijke ziel te werken. 4. De Geesten die tot geene ver„ eniging met bijzoirdere Iighamen gefchapen zijn, worden in „ de H. Schrift, Engelen genaamd, die dan gefchift worden, „ in goede en kwade; het hoofd der goede Engelen, is Mi„ chaöl, gelijk hij, die genoemd wordt Duivel en Satan, het „ hoofd is van de kwade. 5. Dat de goede Engelen, in de „ volmaaktheid hunner fcheppinge volhardende, Gods Engelen .„ genaamd worden; en dat hij dezelve gebruikt naar zijn be-' „ lieven in het uitwerken zijner oirdelen, tot dienst zijner „ uitverkorenen en tot ftraffe der godlozen; maar dat de boze „ Engelen, van God afgevallen, en daarom, naar hun hoofd, „ des Duivels Engelen genoemd, in de helfche verdoemenis „ verftoten, en vijanden van de gelovigen zijn." Ook bekend Bekker te geloven, „ dat 'er een Duivel is, nogthahs niet „ meer dan een, doch die vele Engelen heeft." Dus kwam het op de werkingen van den Duivel omtrent de menfehen aan, die hij duidelijk ontkende; doordien hij beweerd, dat de Duivel met ketens in de helle geboeid en hem alle magt benomen is. Doch doordien dit ronduit ftaande te houden, te veel zou aanlopen tegens Gods woord en tegen de formulieren van enigheid, welke hij ondertekend hadt, die de verleiding van den eerften mensen tot de zonde, aan den Duivel toefchrijven, erkent Bekker hierom, dat de Duivel wel de P 2 oir-