Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

E3*

vrouw, zoon en dogter, nevens nog verfcheidene Christeneft van goeden huize, geene gelegenheid vindende, om zig binnen .het fort Zeeland te bergen-, in des overweldigers handeri viel, Intusfen deden de Hollanders, uit die fterkte, enen uitval op de ChineJ'en, doch met zo een rampfpoedig gevolg > datze, in allerijl, derwaarts met bebloede koppen genoodzaakt wierden te rug te keren, Coxinga, voor als nog, ter ver. overing van de vesting, geen verlies van volk willende in de waagfchaal flellen, wierdt thans te rade, Hambroek derwaarts te zenden, om de bezetting aan te manen, van zig aan hem over- te geven; gaande zijn last verzeld, met de rjsfelijkfte bedreigingen, ingevalle de Leraar met de boodfchap te rug keerde, dat de Bevelhebber voornemens was, het fort te verdedigen, zullende zijn eerfte wraakoefening zijn, den bode daar van het leven te benemen; of ingevalle hij niet in het Chincfe leger binnen zekeren bepaalden tijd te rug keerde, zijne egtgenöte en kinderen zijn wegblijven met een wréden dood zouden boeten. In hachiijker toeftand kon bezwaarlijk iemand zig bevinden, dan waar in de opeisfching van de vesting dien Krijgsbevelhebber bragt. Deze was Fxederïk Catet, ■een boezemvriend van Hambroek, en dus tot deszeivs behoud gezind; doch aan den anderen kant, door een ééd aan de belangens der Oostindife Maatfchappij verbonden , en van aï het nodige voorzien, -om het nog een wijle tijds tegerrs den geweldenaar te kunnen uithouden. Bij 't pleiten in zijn eigen hart voor de behoudenis van Hamekoex's leven, voegde zig nog dat van twee van 's Leraars kinderen, die zig op dit pas .tinnen de vesting bevonden. Bijkans hadt ook dit verenigd pleit, de fchaal aan de zijde der vriendfchap doen overflaan, en zijnen ééd en trouwe doen fchipbreuk lijden, indien niet de grootmoedige én godvrugtige Hameroek , als een tweede Regulus, dit aandoenlijk pleit in zijn gemoed beflist hadt. In ftede dan van het oor te lenen aan de voorflagea van Cajet tot de overgave, of zig te laten bewegen doof de tranen en fmekingen ïdjner kinderen, vermaande hij den Bevelhebber en de bezetting tot het doen van enen dapperen

te-

BYLING. (ALBERT)

Sluiten