Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H. S. GEPREZEN WORDEN. Hoofdft. XII. 34.Ï

van hunne reinigheid naar de Wet enz. i Sam. XXI. 2. volgg. Ik beken, dat David hier niet in allen opzichte zuivere waarheid gefproken heeft, dat hy zich van eene noodleugen heeft bediend, die naderhand zulke droevige gevolgen had, en waar uit de Verdeedigers van de noodleugen mogen opmaken, hoe gevaarlyk het zy, van dezelve immer gebruik te maken (*). Hy heeft hier zeker misdaan, maar zyne omftandigheden verfchoonen hem zeer veel, ook moet men bedenken, dat de kennis en verhevenheid der Zedekunde, toenmaals dienhoogen trap niet bereikt had, als nu onder het Christendom; Maar nog meer: David toont juist hier door, dat hy geen oproer tegen Saul in den zin heeft, dan zou hy den Priefter door duidelyker te fpreken , in zyne belangen hebben zoeken over te haaien, maar nu wil hy hem veilig ftellen voor alle vervolging, hoezeer zulks ook tegen zyne verwagting uitviel, en hy door zyne noodleugen oorzaak gaf tot den dood van Achimdech en zyn huis, gelyk hy zelf erkent 1 Sam. XXII.

22. Geen fchuilplaats kunnende bedenken

in het Koningryk van Saul, vlugt David naar het land der Philiftynen , en wel naar Gath, doch hier bekend geworden , • legt men het op zyn leven toe, en nu veinst hy zich gek te zyn iSam.XXl. 12. volgg. Dit noemt men eene lafhartige veinzery. Lafhartigheid vind' ik ondertusfchen hier geheel niet in; Wat zou men dan van David eifchen, dat hy in deezen nood moest gedaan hebben ? Wat de veinzery betreft, ik weet niet, of men het eene veinzery moet

noe-

(*) Voortreflyk is hier omtrent de aanteekening van den Ridder MiciiAè'us over deeze plaats; Vergelyk ook Hkzel,

Y 3

Sluiten