Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aanmerkingen over Klaagliederen III: 24- 23

een oneindig goed, en omdat het geene welk ten grond en voorwerp onzer hoope ftrekken zal, voor het minst met onze hoogst moogelijke behoeften en begeerten moet gelijk ftaan. In den HEER, denAlgenoegzaamenGodT daarentegen, is genoeg — oneindig meer dan genoeg, om de behoeften te vervullen en de begeerten te voldoen , van elk een' dier gelukkigen, die den HEER tot hun Deel hebben; niets konnen zij wenfehen 'noch begeeren , welk de HEER, naar den rijkdom zijner Algenoegzaamheid, bun niet zou konnen fchenken: en dus ligt hier in voor hun een onbeweegelijke grond om op den HEER te hoopen. Te vergeefs toch verwacht men het van de heuvelen, en de meenigte der hergen, waarlijk! in den HEER onzen God is Israels heil (h~).

1. Een andere grond om op den HEER te hoopen, is gelegen in zijne Onveranderlijkheid. — Heeft dè Heer zichzelven aan zijne gunstgenooten gefchonken tot hun Deel — heeft Hij beloofd, hen te helpen en te verlosfen , en alle hunne behoeften en begeerten te vervullen; Hij is de onveranderlijke God, die alle zijne toezeggingen aan zijn volk, onfaalbaar zal vervullen. Zijne oneindige Liefde, Genade, en Barmhartigheid — nevens zijne onbezweeken 1 rouw en Waarheid, beweegen Hem , om de God van zijn Volk te weezen, achtervolgends de belofte van het nieuw Verbond, aan welk Verbond Hij gedeukt tot in eeuwig'

05 Jeremias Hl: 23.

B 4,

Sluiten