Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3» NIEUW EVANGELISCH MAGAZIJN.

HEER, hun Verbondsgod, heeft beloofd: Ik zal u niet begeeven, noch ik zal u niet verlaaten (li) ; d. i., nooit zal ik u begeeven, nooit u verlaaten. En derhalven mag men het daar voor houden , dat deeze belofte zich ten wijdften uitftrekt, tot

— in — door — en na den dood, en aan des HEEREN volk verzekering geeft van zijne gun ftige befcherming en nabijheid met hun, door den ganfchen loop van hun leven — in alle de lotgevallen die hun gebeuren, in alle de beproevingen en wederwaardigheden die hun overkoomen, tot de allerlaatfte toe — ja tot in de eindelooze eeuwigheid , na dit leven. Zij moogen dus , blijmoedig op den HEER hoopende^ zeggen: Al ging ik ook in een dal der fchaduuwe des doods, ik zou* de geen kwaad vreezen; want Gij, o HEER, zijt met mij, uw ftok en uw ftaf, die vertroosten mij (i)

— en : Gij zult mij het pad des levens bekend maaken ; verzadiging der vreugden is bij uw aangezicht,; lieflijkheden zijn in uwe rechtehand, eeuwiglijk (k).

8. Voords; des HEEREN volk mag in hoope verwachten, de Opftanding hunner ligchaamen ten eeuwigen leven, in den jongften dag. De Heer Jefus, onze gezegende Zaligmaaker , van God gezonden, heeft aan eiken geloovigen toezegging gedaan, dat Hij, achtervolgends den wil des Vaders die Hem gezonden heeft, hen opwekken zal ten uiterften dage. Dus luidt zijne genade-

O) Hebreen XIII: 5, (j) Psalm XXIII: 4. (k) Psalm XFI: 11. *

Sluiten