Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOT DEN HAAT TEGEN DE KONIMGEN.

hij is vervat in deze bewoordingen: „ Ik zou „ aan uwe uitnodiging voldoen zoo Marfeille „ nog eene Griekfche Republiek was; want ik M houde zeer veel van de Academiën, maar nog >, meer bemin ik de Republieken. Gelukkig het v, land waar onze meesters bij ons komen, en „ zich niet beledigd achten wanneer wij niet bij „ hun gaan."

Dit was nog niet anders dan geneigdheid voor de Republieken; het was nog geen volltrekte haat tegen de Koningen. Doch weinig jaaren laater kwam de haat van Voltaire tegen den troon reeds zeer nabij dien, welken hij het Altaar toedroeg. Dit fchijnt ten minften een andere brief aanteduiden, in welken hij in vertrouwen tegen d'Alembert zegt: „ Ten opzigte van „ Duluc (Frederik den 11^ nu bijtende en dan „ gebeten wordende, is hij een zeer ongelukkig „ fterveling; en zij, die zich voor deze Heer en „ laaien dood/laan, zijn verbruide zotten. Be„ waar dit gek eim bij de Koningen en Priester's(*}.,t

Het geen men inzonderheid in dezen brief moet opmerken, is, dat dit geheim van Voltaire omtrent de Koningen in een zeer nauw verband ftaat met dat omtrent de Priesters. Het een en ander was hem reeds meer dan eens openlijk ontfnapt. Zijn Treurfpel Edipus had het eene ontdekt in deze reeds aangehaalde verzen. Les

Pre\

(♦) Lett. du 12 Décemb. 1757.

B 4

Sluiten