Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"34- DÜITSCHE UK IE, VOORNAAMSTE HOOFDEN

Aan het hoofd van deze vereeniging moesten zich twee en twintig ingewijdden bevinden, die

gelaat zulks in de Engelfche tijdfchriften (Monthly Magazine Januatij 1798O plaatfen , dat de Heer Robifon dit ontwerp, en de geheele vereeniging van Bahrdt, niet anders heeft leeren kennen, dan door het Journal van Giesfen, een zeer weinig getrokken en verachtlijk gefchrift. Dit gefchrift was alleen verachtlijk in de oogen der Illuminaaten en derzelver aanhangers. Zij hadden hunne redenen, waarom zij hetzelve in minachting zogten te brengen ; maar die zelfde redenen, maakten hetzelve dierbaarder bij de braave lieden. Hoe kan die zelfde Bóttiger vervolgens zeggen, dat dit de eenigfte bron is, waar uit de Heer Robifon zijne berichten gefchept heeft ? Toont niet de meenigte van gefchriften , door Robifon aangebaalt, dat hij eenen overvloed van bewijsftukben gehad heeft? Ik beleide openhartig, dat het moeilijk was zich er méér 'te verfchaffen. Hij zou genoeg gehad hebben aan dat vermaarde werk, het welk in Duitschland bekend is onder dien tijtel van mthr noten als text, oder die Deutfche Union der Zwey und Zwanziger. Is dit werk, het welk, volgens het getuigenis van Böttiger voldoende geweest is, om het publiek de oogen te oopenen, ook niet anders bekend geweest, dan door het Journaal van Giesfen ? — Deze zelfde Kampvechler der Illuminaaten heeft de onbefchaamdheid, om ons dit gefchrift als bet werk van Bode in de hand te ftoppen; even als of er de minfte waarfchijnlijkheid was, dat Bode zeer veel belang zou gefteld hebben in de ontdekking eener zamenzweering, in welke hij zelf zulk eene groote rol fpeelde; en dat hij aan de algemeene befpotting zou hebben blootgeftelt, die Baronnes van Recke, Gravin van Medem, gebooren van JVandern, wier bevalligheden hem geenszins onverfcbillig, en wier fchriften hein zoo wel bekend waren. Indien Bode dat werk heeft gefchreeven, waarin de .Duitfche Unie zoo duidelijk wordt ontdekt, waarom laat men dan de eer daar van aan den Heer Göfchen, bockverkooper te Leipzig,

die

Sluiten