Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KAREL FERDINER,

waardiglyk doet handelen; maar bedenk ook

tevéris, wat is. de mensch! Hoe zelden kan

hy dat geen doen, welk ffy w//; en hoe dikwyls

doet hy alles . dat hy maar kan doen! Gevolge-

lyk in zoodanigen toeftand, waarin de oude verbindtenisfen met de nieuwen ftrydig zyn, beiden even onfchuldig, even goed, even fterk; eene beflisfing, welke die ook wezen mag, te billyken, ten minften met eenen uiterlyk goeden fchyn te

veroptfchuldigen! In dcezen toeftand, waarin

het geringde gewigt, uit de ééne fchaal weggenomen zynde, )een beflisfend overwigt wordt voor

de andere! : Ach! gy behoordet den,wankelen*

den te omhelzen en vast te houden, hem niet los te laaten, veel min, hem naar die zyde te ftooten, waarheen hy reeds wankelde! Gy be¬

hoordet niet te vergeeten, 't geen hy u zoo trouw en yuun'g uit den grond, van zyn hart openbaarde '(*). — Gy behoocdet ieder oogenblik bekommerd te zyn voor zyne zwakheid , en ipoedig heen te ylen, om hem aan duizend duizend geringe toevalligheden en verzoekingen te onttrekken, die naderhand maar al te vermogend kunnen worden., om hem eindelyk plotfeling naar die zyde te rukken , naar welke zyne overweldigende opregtheid ei-

genlyk niet wilde!

Ik zeg het, Eduards, ik wankel; ik ben zoo onfchuldig als ooit, en heb echter naauwlyks zoo veel kracht om my aan dat geen te houden, welk

de opregtheid van my fchynt te vorderen.

Op-

(+) Zie IV Deel, CCXXIII Brief, en V Deel. CCXXXIV Brief.

Sluiten