Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAARE WEZEN VAN HET KRISTENDOM. 29

ringen, kan er noch verftandig geloof, noch waare gehoorzaamheid plaats hebben.

Een Godlijk afgezant moet ook bejlisfchend fpreeken. Dit voegt juist aan zijn karacter. Niets twijfelachtigs, niets onzekers moet men in zijne voordragt eener wezenlijke leering aantreffen. Zijne voordragt moet den hoorer of lezer in ftaat ftellen, om te befluiten, dat het

geen hij bevestigt, geloofd het geen hij

beveelt, betracht moet worden. Betoogt hij, dan geeft hij dikwijls plaats aan bedenkingen,' tegenwerpingen en vitterijen; en de uitkomst is meestal onzekerheid en twijfeling. En wat behoeft hij betoog? Zijne leer is de uitfpraak van God zeiven — de uitfpraak der volmaaktde wijsheid. Ieder fchepzel moet zich aan de uitfpraak van God onbepaald onderwerpen: ieder mensch, van gezond verfland, moet het Gode waardige dier uitfpraak, ook zonder betoog, kunnen ontdekken. Wanneer derhalvcn een Godlijk afgezant zegt: „ dit is waarheid, „ die dit gelooft, zal zalig worden; doet dit, „ en gij zult leven;" is het geen hij- verkondigt , ten aanzien der voordragt, tot het wezen zijner leer volflrekt behoorende: het is iets, tot welkers openbaaring hij van God is gezonden, Eindelijk; het kenmerk eener wezenlijke leering is eenflemmigheid in de voordragt. Het N. T. ziet gij, is door meer,, dan een leerling van Jezus, befchreven; maar alle de fchrijvers

heb-

Sluiten