Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEE K ON INGINNEK. fij

Vormll! om tl JS net, oat m ivccu, nac uatui is ui;

laetfte voor Adelaïde! Pepin . . . indien gij wist! . . . hij is de fnoodfte, de wreedfte van alle ftervéiingen ... Ach! Hemel! . . . gij zult omkomen!" ....

Ricomer.

Regtvaerdige God! is het mogelijk, dat gij zulk een gedrocht op aerde duldt! Gij geloofde haer, Mevrouw?

E d m e l i a.

■ Ik weet niet, wat'er, op iiethooreii van deze woorden, in mij omging ! Onnozel , zonder ondervinding , vol Van een blind vertrouwen op deze Vrouw, die mij nimmer misleid had, geloofde ik alles. Mijne ftandvastigheid begaf mij, ik beefde, ik wilde vlugten, en viel •kragteloos voor de voeten van deze Furie neder. Op dien oogënblik werd mij een dolk onder het hoofdkusfeil van Pepin aengewezen ; men vertoonde mij fpooken, mijne verbeeldingkragt werd in beweging gebragt; de verfchrikking vereenigde zich met het bedrog, „Dat men mij van hier rukke, fchreeuwde ik, dat men mij wegVoere, het is mij onverfchillig in wat plaets!" „Welaen, zeide de godloózc Margista , mijn hart is overmeesterd, mijn pligt vordert, dat ik mij opoffcre; mijn ijver, mijne eeden, de liefde voor mijne oude Meesters, alles eischt, dat ik, voorn, de Hem der natuur verdoove: Alife leeft nog*, haer leven was mij noodzakelijk, om het uwe ;te redden; ik zal mij bevoordeelen met de gelijkenis, die het den Hemel behaegd heeft, dat 'er tusfehen u B-4- «P*

Sluiten