Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34 DE LANDING EN VLUCHT

treurig noodlot zijn —'(met kracht') zult gij dart voidaan zijn, beulen! als gij mijn geftorven kind aanfchouwt, of hebt gij lieden geene menfchelijke aandoeningen, waart gij nooit vader, kent gij het bart van eene moeder niet — en zijt gij lieden de herftellers van den Godsdienst, zijn dit de lesfen van den zachtmoèdigen Verlosfer der waereld. Gij die vrouwen lchendt, die fchuldelooze maagden ontè'ert, die rooft, die plundert, die de tempels aan den eeuwigen god gewijd, verbrandt, welkers banden nog rooken van het geplengde bloed der onfchuldigen? Ach zie hem eens lijden — ik kan niet meer — mijn hart wordt van ééngefcheurd. (met hevige aandoening) O moeders! moeders! die ooit een kind onder uw hart droeg, die uwen geliefden zuigeling ooit aan uwen boezem druk. te, gij alleen, gij alleen kunt mijne fmarten ge voelen — wraak, ö godheid! wraak tot in dereeuwigheid. (Zij valt magteloos achter over.)

cornelia, (moeite doende om de oogets van haar moeder te openen.') Lieve moeder! flaap nu niet, flaap nu niet, lieve moeder! doe uwe oogen open, laat mij hief niet alleen, mijn armtjen doet zoo zeer, moeder! lieve moeder! flaap toch nu niet. (Men hoort m* der gefehreeuw en fchieten.)

de weduwe, (zich opheffende^

Ach waar ben ik — welk een akelig gefehreeuw!

he>

Sluiten