Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over E F E Z E N II. i. 23

zulks flechts kwam van eenige booze geneigtheid van den. wil, welke zich op het kwaade toeleggen, en de wederlpannigheid tegen God verkiezen wilde: maar het kan niet; dus is het dan het uitwerkzel van eene onmagt waar in hy is, en niet enkel van een voornemen waartoe hy genei' gen is. Hierom is het dat deezen wonderbaaren Leeraar der Heidenen betuigt, dat het God is, die in ons het wille werkt (a), om te toonen dat onzen wil van zich zelve niet bekwaam is om het goede te willen, nadien het God is die hem door de alvermogende kracht van zyne genade daartoe in ftaat fielt. Met een woord, als den Apoftel ons in zyn perfoon vertoont, welke de natuurlyke gefteltheid van den menfch is, zoo zegt hy j dat in hem en in zyn vleefih geen goed en tvoont (b~). Daar is dan in hem geen goed meer, van welk een zoort het ook zyn mag; geen licht meer in zyn verftand, geen rechtheid meer in zynen wil, geen oprechtigheid meer in zyne genegenheden, niet éénen trek meer van dat fchoone beeld van God, waarmede zyne ziel in den beginne veriiert was.

Ik bidde u, laat ons hier eens den ftaat des gcfchils naauwkeurigiyk bepaalen, en laaten wy zien tot wiens voordeel dat de Schrift het zelve beflift. — De zaak in verfchil, is om te weeten of den menfch van zich zeiven eenigerlei krachten heeft, om goede en deugdzaame daaden te verrichten.— Wat zegt de Schrift daar omtrent ? Zy zegt dat wy van natuure ontbloot zyn van alle krachten. CHRISl^US, ter tyd dat wy van alle

krach-

(» Fill. 2. vs 13. (£) Rom. 7. vs'. 18.

B 4

Sluiten