Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

356 LEER-REDEN

te vlieden, om zoo een maatig, rechtvaardig, en godzalig leven te leiden: maatig in onze maaltyden en in onze vermaaken, rechtvaardig in onze daaden en in onze handelingen, godzalig in onze godvruchtige oefeningen; tnaatig, om ons zeiven niet te bederven noch te onteeren; rechtvaardig, om nimmer onze naaften in eenig ding te verongelyken ; godzalig, om nooit in

onze pligten jegens God nalaatig te zyn. < ~

Als wy dus wyslyk en chriftelyk omtrent deeze genade verkeeren, dan zullen wy daar in eene wonderbaare vertroofting, en eene volkomene zekerheid van onze zaligheid vinden.

Dan, ik fta toe, dat zoo wy te doen hadden met Gods gerechtigheid, zoo wy geoordeek moeften worden na de ftrengheid, of na den flipten inhoud van de Wet* zoo onze zaligheid af hong van de volmaaktheid of van de waard'gheid van onze werken, ik fta toe dat wy reden zouden hebben om te beeven, en onze vrees zoude niet ongegrond zyn. Maar, Geloovigen! Uit genade zyt gy zalig geworden, en welke wees kan in dit denkbeeld uwe ziel bekruipen, als gy u bevlytigt om God oprechte'lyk te dienen ? Hy voor wien gy moet verfchynen, is geen ftraffen meefter, noch eenenftrengen Richter; het is eenen tederen en liefdenryken Vader, een God die ryk is in barmhartigheid, die overvloedig is in ontfermingen; een Vader wiens ingewanden altoos rommelen van mededoogen voor zyne kinderen. Gy zondigt menigmaal, het is waar; gy zondigt in veele dingen, men kan het niet ontkennen; gy valt telkens weder in dezelfde misflagen, ja zelve gebeurt het, dat gy u aan n.'euwe wanbedryven fchuldig maakt, die u ont-

ftel-

Sluiten