is toegevoegd aan uw favorieten.

Het jaar twee duizend vier honderd en veertig. Een droom.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIER. HONDERD EN VEERTIG. 79

hoorigen over, terwijl de achtloosheid of onbedrevenheid van zijnen bereider die doodlijk kunnen doen worden; hij oordeelt met eigen oogen over de hoedanigheid, de hoeveelheid en de toebereiding, gewigtige zaaken, van welke naar alle geftrenghcid, de geneezing af hangt. Een lijder ziet niet meer voor zijn bed drie, eikanderen koddig ondergefchikte, beoefenaars van de konst van genee-

zen,

eeno onvolmaakte waereld gebouwd heeft, omdat Hij haar niet beter maaken kon ? wie willen dat de ziel met den laaiden fnik ophoude te leeven? dat de geest, welken de Schepper der Natuur den mensch gegeeven heeft, niet meer zij dan een adem , die met het werktuig ophoudt ? wie ïijn zij, eindelijk, die, ondanks de menigte en uitgeftrektTieid der zedenlijke en verftandelijke vermogens, waarmede hij begaafd is, zijn aanwezen bepaalen tot den korten tijd, welken hij op de aarde doorbrengt, en liever willen Hellen dat de werkmeester te groote vaten gemaakt heeft , welke hij niet vullen kan.

Wijsgeeren, Godgeleerden, deeze is de leer, die gij beflrijden moet, en nooit zult gij een gelukkiger onderwerp ltebben om uwe fluitredenen ten. toon te fpreiden en mee voordeel gefchil te voeren. Bewijst allen menfchen dat de dood, dien niemand ontgaan zal, de zeekerite zaak van de waereld, niet anders is dan eene omkeering in onze natuur en het begin van een nieuw leven. Wordt niet moede het te herhaalen; de ziel leeft aan de andere zijde van het graf; een eeuwig leven is haar deel; en die gelukzaligheid, welke zij zig verbeeldt, naar Welke zij met zoo reel verlangen

zugt