Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28 CELESTINE.

oog, het welk van gramfchap fonkelt, op derzelver tegenwoordigen bezitter.

„ Rampzalig fchepzel?" dus roept hij

met eene verfchrikkelijke en donderende flem .

„ rampzalig fchepfel! hoe koomt gij aan dit kof,, fertje?" ■

„ „ Wat behoeft gij dat te weten" " -

hervat de reiziger „ „ het is immers ge-

„ „ noeg, dat het mij toebehoort?" "

Met deze woorden wil hij het Don Pedro uit de handen rukken; doch deze, die zijne drift niet langer meester is, floot hem van zich af; (laat de handen aan zijn degen, en vliegt naar den vreemden, ,, Verraader!" dus fchreeuwt

hij hem toe: — „ verraader! beken op het oo„ genblik uwe bedreven misdaad, of — van deze „ vuist zult gij thans fterven!,.." Dit zegt hij, en flapt naar zijnen vijand. Deze verweert zich dapper, doch ftort wel dra, door eenen doodelijken fteek getroffen, ruggelings op den grond. Op dit gezigt loopt alles te hoop; men fluit zich rondom Don Pedro; men maakt zich meester van hem; en fleept hem naar de gevangenis. De waard zendt om eenen geestelijken, ten einde den ftervenden de kerkengcregten toetedienen , en ijlt zelve naar den Alcade, om hem bet koffertje te brengen, en van het gebeurde keDnis te geven.

Dan}

Sluiten