Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI VOORREDE.

den, en dit eigenlijk uit hoofde van derzei ver lange perioden in de eerfte Hoofddeelen. Dezen worden niet alleen werk lijk reeds in het Grieksch moeilijk, want zij zijn niet flegts langer, dan zelfs de Griek die begeert, maar ook ongegrond, en uit eene meenigte van kleene deelen zamengefteld; zoo dat men wel enkele fchoone Hellingen, omcrent zoo als wij in het Duitsch zeggen fpreuken, leest, maar het geheel niet zoo gemakkelijk vatten kan. Zelfs ontftaat daaruit dikwils eenige onduidelijkheid, daar men wel tienmaal in één Hoofddeel niet weet, of een woord tot het voorgaande of volgende lid behoort; en daarvan koomt het ook, dat mijne vertaaling hier zeer van die van Luther afwijkt. Alleen in het Duitsch zijn deze lange zamengehegte Perioden nog on. draaglijker. Onze taal bemint, over het algemeen, geene lange Perioden, zelfs niet de gezonden: zommige Juristen hebben die wel in hunne opftellen; maar dezen laat men hunne taal, als iets hun bijzonder eigen. Zelfs Predikers, die, om Redenaars te zijn, en uit navolging der Ouden, lange Perioden maaken, ook de besten en welfpreekendften, houden op te behaagen, wanneer men hen dikwils hoort, Maar nu koomt nog hierbij, dat wij in het Duitsch deze meenigte leden

eener

Sluiten