Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 18 )

Lydende menfchen, wanneer het ongeluk hen maar

niet verbitterd heeft ik heb hier myn oog op

de bekende fpreekwyze: aigripar Vinfortune, —

zyn ons doorgaans zeer behaagelyk. Zy kwam zó éven weder in onze herberg, en bragt my een aflchrift van haar lied: ik had tot myn leedweezen geen' tyd om lang met haar te praaten, vermids de postwagen zo aanftonds vertrekken zal. — Deeze vreemdeling, dien ik echter voor geea' ryk man zou aangezien hebben, heeft haar, volgens haar eigen getuigenis, een zecraanzienlyk gefchenk gegeven, hetwelk haar in ftaat ftelt om naar Koningsbergen te kunnen reizen, in welke ftad eenige van haare nabeftaanden woonen. „ Tot nu ., toe," zeide zy, „heb ik die reis niet durven onder„ neemen, want ik weet helaas! hoe bitter het is, „ wanneer men niets heeft om van te beftaan, dan en„ kei van het medelyden der vrienden en bloedver„ wanten."

En myn broeder was by dit aandoenlyk tooneel zo

ongevoelig, als om van myne Voedftermocders

fpreekwyze gebruik te maaken, als een Fransche

Barbier. Welke levendige vreugd zou ik gevoelen , wanneer ik hem eens kon doen befluitcn om dat verfchrikkelyk ambacht, het foldaaten - leven voor altoos te verlaaten!

V E R-

Sluiten