Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RIÏSBRÜTKÊN DER WAARHEID. 21

van God denken, die zich verbeelden kan, dat God zich door voorbygaande goede verrichtingen en beloften, gelyk demenfchen, laat inneemen; of dat hy zich door traanen, door betuigingen , door beloften kan laaten beweegen , om ons voor goed te houden, offchoon wy nog kwaad zyn, of ons onze zonden te vergeeven, offchoon wy ze nog aankleeven en ons daardoor beheerfchen laaten; eeniglyk, omdat wy, by zekere plegtige gelegenheden , een verlangen daarnaar doen blyken,en misfchien eenige goede voorneemens opvatten, en het daarby laaten berusten. Neen ; waare boetvaardigheid en daadelyke verbetering zyn de onaffcheidelyke voorwaarde van de vergiffenis onzer zonden. Voldoen wy aan deeze voorwaarde, dan kunnen wy ons van de vergiffenis der zonden ten allen tyde, op alle plaatfen, dan kunnen wy ons van dezelve ook inzonderheid aan de tafel des Heeren verzekerd houden. Maar voldoen wy aan deeze voorwaarde niet, dan kan ons zelfs de godsdienftigfte bywooning van het heilige Avondmaal van onze zondenfchuld niet vryfpreeken. God kan ze ons op dien voet niet vergeeven , want de zonde ftraft zichzelve , en zo lang wy in dezelve B 3 vol»

Sluiten