is toegevoegd aan uw favorieten.

Brieven van eenige Portugeesche en Hoogduitsche jooden, aan den heer De Voltaire.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( I7i )

„ lyk": oude Wetgeevers oordeelden 'er geheel anders over: vraag het aan minos, aan lyc u r g u s , aan zo veele anderen, die hunnen Burgeren de Kunften verbooden, welke u bekooren: vraag het aan plaïo, die de Dichters uit zyn Gemeenebest verjaagde (*), enz. Indien deeze Kunften , Kinderen der Weelde , noodzaaklyk waren tot den roem der Volken en den luister der Ryken, door welke noodlottigheid zouden zy 'er nooit in gekoomen zyn, zonder 'er den ondergang van te voorfpellen ? Toen pericles ze te Athene invoerde, ftondt de flaaverny voor haare poorten: en het waren niet de fchoonfte dagen van Rome, toen een tot flaaverny gebragt volk zyne Meesters om brood en fchouwfpelen vraagde.

Het zelfde kan men van den Koophandel zeg • gen. Gy maakt 'er u hooge denkbeelden van, en verftandige Wetgeevers waren 'er voor hunne Gemeenebesten voor bevreesd. Zy oordeelden dien onbeftaanbaar met die gelykheid van bezittingen , met die geftrengbeid van zeden, welke zy onder hunne Burgers wilden vastftellen en

duur-

(*) Hy jaagde 'er, egter, niet alle Dichters uit ; hy verdreef alleen de Hekeldichters, die den goeden naam hunner Mcdebtirgcren kvvetzen, de losbandige Dichters, die de Zeden bederven, de ongeloovige Dichters, die veragting voor den Godsdienst inboezemen en valfche denkbeelden van de Godheid geeven, enz. De Wysgecrige Wetgeever zoude, deihalven, de Hcariaii zynen Republikeinen in handen gelaaten hebben , enz. enz. De Uitgeevers.