Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOOR 'T VERLOSSINGSWERK. aj

Van 'swaereldsmorgen vinde ik ftof Oai U, oprecht van geest, te danken, Tc roemen op gewijde klanken En mij te wijden aan uw' lof. Hoe heerlijk had uwe oppermagt Mijn eerde vader voortgebragt! Ja met uw beeld verfierd, het beeld van zijnen Maakcr! Doch hij, met hoeveel deugd begaafd, Hij wierd een trouwloos pligtverzaaket, Aan zondenlust verflaafd.

Nu was de hel gantsch vreugdgevoel, Al dreigende fcheen zij te gaapen; De mensch tot waar geluk gefchapen Zonk in den dieplten jammerpoel; Vol knaagende onrust in 't gemoed, Van U vervreemd, zijn hooglle Goed, Ziet hij zich hemel, aarde en al wat leeft ontzinken: „ Wat fchendt gij mijne rijksgeboón" ? Hoort hij zich itceds in de ooien klinken En vlucht van uwen thioon.

B S De

Sluiten