is toegevoegd aan uw favorieten.

Dichtstukken van het Haagsch genootschap onder de spreuk: Kunstliefde spaart geen vlijt

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

78 M IJ N E EERZUCHT.

Ik heb mijne eer weêröm! door wien? —hier kniel ik neder! Mijn Jefus fchonk ook mij die door zijn finaadheid weder;

Hij zdve ontfloot voor ons de troostbron van genaé: Met armen van 't Gjbof om zijnen hals geftrongeid, Worde ik, in Hem, verengeld, Op 't eerloos Golgotha.

Ootmoedig 't needrig fpoor van fefus na te ftreeven , Met hoop, geloof en liefde aan zijnen mond te kleeven;

Naar Hem boetvaardig met een hijgend hart gevlugt, En dat aan de ijdele eer der waereld niet te binden, Mijn eer in- God te vinden, Zie daar mijn gloriezucht.

Zij, die het voedzel van de Deugd heeft ingezoogen, Leert mij het fchrei'ende oog der armoede af te droogen,

En doet geftaèg mijn borst voor recht en waarheid flian; Strekt mij ten fpoorflag om mijn' Vijand zelfs te kuslen, Het vuur der wraak te blusfen, En de onfchuld voor te Haan.

Zij fchuift voor mij't gordijn van 't koor der w'jsheid open, Geleidtme in 't Pijbelfpoor, om 't wis verderf te ontloopen,

En kan, als de arbeid mijn gefpannen boog ontfpant, Mij aan'tnatuurfchoon, aan 's Landskeurgelchichtenboeiën, En doen mijn' ijver gloeien, Voor God en 't Vaderland.

Als