Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 29 >

ligtelyk konde hy, met eene weeklaagende ftèm, hebben geroepen: Ontferm u over myy myn Vriend, want de hand Gods heeft my aangeraakt! . . . Maar neen: hy fcheen, in Mille overdenking, en met vernieuwde zorg, zyn tydelyk ©yerfchütj zoo veel mogelyk, te herzamelen, en het overige van den weldaadigen hemel te willen afwagten. — Alléénlyk heb ik uit één enkelen mond, deefe nadrukkelyke woorden gehoord: Och ! daar woonen in Holland zoo veel braave menfchen, die tullen wel om ons denken!... Deefe bedaardheid moet intusfchen niet worden toegefchreeven aan eene Stóifche ongevoeligheid, maar aan den eenvouwdigen en braaven inborst der landlieden, gewoon om van een gering inkomen zig te geneeren, en te befehroomd om onderiiand te vraagen.

Be halven de ongelukkig omgekomenen op dit dorp, is 'er nog eene vrouw, die ten huife uit wilde vlugten,tegen den ftyl van de deur, door eene ysfchol, verpletterd! —

Uit dit alles zultge ligtelyk tot het overige kunnen befluiten. Tot dus verre heb ik maar van

drie doipen gefprooken, terwyl 'er in het Ampt van tusfehen Maas en Waal twintig gevonden worden , die allen, zoo niet meer, ten minste zoo veel

ge-

Sluiten