Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i2<5 HET BOEK DER PSALMEN.

L. Psalm.

God word voorgejield, ah of hij met dezelfdt plegtigheid, waar mede de wet gegeeven is> veder kwame, om te onderzoeken, of zijn yolk de wet houde. Daarbij verklaart hij, dat hij met offerhanden alleen niet wil te vreden zijn, ^

Een Pfalm Afaphs. i De God der Goden, Jehova, fpreekt,

En roept tot de aarde, van den opgang der zon tot haaren ondergang.

Van Zion, den fraaij gekroondenberg, 2

Verfchijnt God met luister.

OnzeGodkomt, hij kan niet langer zwijgen, 3

Verteerend vuur is voor hem,

En rondom hem een ftorm.

Hij roept den Hemel boven, en de aarde toe, 4

Om zijn volk te oordeelen:

Ver-

vsï. De God der Goden] Dat is, de hoogde en •waare God, wiens onderdaanen zij alle zijn , die van de Heidenen als Goden geëerd worden, inzonderheid de in het Hebreeuwsch Goden genaamd wordende Engelen.

vs 2 den fraaif gekroonden berg] Steden, op bergen liggende, dellen zig de Hebreeuwen alskroonen der bergen voor. Haare Paleizen, haare muuren en torens, zweemen van verre na eene kroon, en vertoonen volkomen die geene, welke de Bereeijnthia bü de Latijnen op het hoofd draagt.

vs 4] Hemel en aarde zullen aanfchouwers van dit ooideel, en teffens getuigen tegen de Israëliten aijn, welke de wet hebben overtreedcn. De gedag-

Sluiten