Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Cap. XXXVII. ap¬

en het daarmede verëenigde ïsraëlitifche volk. \ Voeg ze te zamen, en houd ze zo, dat ze 17 in uwe hand één ftuk worden. | Als nu die 18 van uw volk u vraagen zullen, wat dit betekenen moet,| zo antwoord hun : dus 19 fpreekt de Heere, Jehova: ik zal het hout van Jofeph, dat in de hand van Efraïm is, en alle de daarmede verëenigde ftammen Israëis neemen, en ze bij dat, bij het hout van Juda voegen, zo dat ze beiden in mijne hand één hout worden. | Houd de ftuk- 20 ken hout, waarop gij gefchreeven hebt, voor hunne oogen in uwe hand,| en zeg 21, tot hen: Ik zal zelf de Israëliten uit de volken neemen, waaronder zij getrokken zijn, zal ze van alle kanten verzamelen, in hun land brengen, | en daar in het land, op het 22 Israëlitisch gebergte , tot een éénig volk maaken; zij zullen allen één Koning hebben , en niet verder twee volken, noch ook in twee Koningrijken verdeeld zijn. ] Zij zullen zig niet verder door hunne fchan- 2 9

de-

meenlijk waren de Koningen uit denzelven. Doch wanneer de (lam van Jofeph zig wederom in twee mindere ftammen , Efraïm en Manasfe , verdeelde, zo was onder dezen Efraïm de magtigfte, en die den Koning gaf. Daarom wordt 'er ook daarna vs. 19. gezegd, dat het hout van Jofeph in de hand van Efraïm is. De Efraïmiten regeerden , én droegen den fcepter.

en het daarmede verëenigde Ïsraëlitifche volk} van de overige ftammen , die tot het Rijk van Israël behoord , en onder één Koning uit den ftam van Efraïm van Jeroboam afgeftaan hadden.

Q

Sluiten