is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe overzetting des Ouden Testaments met aenmerkingen voor ongeleerden.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C a p. XXVI. vf. 31—37- 233

Vüh zesdraadig getwernd lynwaad, maaken, met donker blaauzv, purper en cochenilje geflikt. En 37 om het zelve op te hangen^zult gyvyf met goud, overdekte zuilen van Acaciehout, met goude haaken, en vyf uit koper gegoote voetftukken laaten vervaardigen (cj.

80. Cap. XXVII. vf. 1—8.'

Het brandoffer Altaar.

XXVII.

Het Altaar zult gy van Acaciehout , vier- 1 kant, vyf ellen lang, vyf ellen breed , en drie ellen hoog maaken. (ƒ ) Deszelfs vier hoe- a

ken

fchillende benaamingen gebruikt worden. Men noemt ook 't eene het binnentte , 't andere het buitenfte voorhangfel.

(ft) Ook dit voorhangfel zal miffchien aan liffen zyn opgehangen, zoo dat er eenige opening bleef, tuffchen't zelve en de dekkleeden,die boven op den tabernakel lagen, om den damp der lampen en des reukwerks, die in't heilige werden aangeftooken, naar buiten door te laaten. Wanneer het weder zulks vorderde kon de omflag van het dekkleed , Cap. 2(5. vf. 9. vermeld, ueergelaaten, en dus deeze opening geflooten worden. De dekkleeden aan weerszy hingen ook niet tot op den grond, maar tot op de zilvere voetftukken , en 't eene en andere kon genoegfaame doortogt en ververfching van lugt,in den tabernakel,geeven.

(ƒ) Bovenal, zegt de Heer Michaëlis, moet menzighier, uit Cap. 20. vf. 21. herinneren, dat het altaar van aarde moeft zyn; en zig hier geen haard gaan verbeelden, van houtmet koper overtrokken, op den welken een altoos duurend vuur zou hebben gebrand. Het draagbaar altaar, dat hierbefchreeyen wordt, was alleen dat vat, waar in de aarde moeft uitge'ftort worden, en waar van de leezer zig het beft denkbeeld P 5 maa-