is toegevoegd aan je favorieten.

Algemeene oefenschoole van konsten en weetenschappen. Derde afdeeling. Behelzende de weetenschappen die niet wiskonstig, en onder den naam van fraaije letteren bekend zyn.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rederykkonst. 337

kunde en Geestdryvery , als Persoonen ingevoerd ; de Tempel der Min, en verder de Hartstogten en Ondeugden , die hier, als wezenlyk en op eene zigtbaare wyze bestaande, voorkomen.

In eenige plaatsen zyn aan deeze Hartstogten , als Persoonaadjen verbeeld zynde, de zefde hoedanigheden gelaten, als aan dezelven door de Heidenen werden toegeschreven , omdat die zinnebeeldige eigenschappen te bekend zyn om eenige verandering te kunnen dulden. Aan de Min wordt een koker met pylen , en aan de Geregtigheid eene weegschaal in onze Christelyke Digtwerken toegeëigend , zonder dat men door die verbeeldingen te kennen geeft het minste zweemsel van het Heidendom behouden te hebben. ■ Hoe klein het getal der werkzaame Persoonaadjen in de Henriade ook zyn moge, zyn zy egter allen opmerkenswaardig in hunne rollen, en op eene uitmuntende wyze afgebeeld in hunne zeden. —— In het karakter van den Held Henrik den IV den. beschouwt men de dapperheid, het krygsbeleid, de menschlievendheid en de min, allen om den voorrang strydende , en denzelven ven beurteling aan elkanderen afstaande, en wel altyd ter bekwaamer tyd tot vermeerdering van zyne glorie. Het karakter van zynen boezemvriend Mornay heeft mede zeer veel ongemeens; dezelve wordt hier afgebeeld als een geleerd, kloekmoedig, voorzigtig en goedhartig Wysgeer. Wyders moet men zich verwonderen over de oordeelkunde van den Digter, die, om zyn Verdigtsel binnen de paalen der waarschynlykheid en der menschlyke vermoogens te besluiten, de overvoering van zynen Held naar hel en hemel in eenen droom geplaatst heeft, waarin zulke verschynsels natuurlykst en geloofbaarst voorkomen. Vervolgens is het onbetwistbaar wegens het gestel van het Heelal, de wetten der Natuure , de Zedekunde, en het denkbeeld dat men zich Van het goede en kwaade, en van deugd en ondeugd heeft te vormen, dat de Digter zich over dat alles met groote

III Afd III Deel Y kragt