Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C *5 )

dato - October 177?, waartoe wy, kortheidshalver!, devryheid neemen ons te refereeren, zynde hetzelve ten dien einde hier achter onder de Bylaagen geplaatst fub Litt. 2 L

Te vooren, te weeten in July 1775, was het Kanaal door de Landmeeters van beide Provinciën opgenomen, en de gemedieerde diepte van deszelfs Bodem, naar het begin der telling» van het Arnhemfche Peil gerekend, in deezer voegen bevonden, te weeten: in het midden eene Geul, breed 15 Roeden, op de hoogte van 1 voet 5 duim; aan de Oostzyde een Berm breed 3 Roeden, op de hoogte van 3 voet; en aan deWestzyde een Berm van 6 Roeden uitgegraaven ter hoogte van 2 voet i1 duim. Edoch ter dier tyd kon men nog niet het verval der Rivier bepaalen. Derhalven werd het nieuwe Kanaal, na dat hetzelve in voegen voorfz. geopend was, in het daaraanvolgende voorjaar andermaal door wederzydfche Landmeeters opgenomen en gepeild. Uit hun Rapport en het daartoe behoorende Supplement (hierachter onder de Bylaagen geplaatst, fub Litt. 2 K. 1 en aiocis) blykt, datmen, volgens hunne gedaane waarnemingen, voor het verval van deeze Riviere 7* duim Rellen moet: gelyk ook dat zy de Leidyken, en verdere Werken tot deeze Doorgraving behoorende, in de vereischte orde, conform het Bellek , bevonden hadden.

Het Bleeswerk echter, dienende tot dekking van den Oever langs de Pley, waar van we hier vooren reeds gewag gemaakt hebben, was in het voorleden jaar 1775 nog onvoltooid gebleeven. Orn dieswillen wierd op de laatst gehouden Conferentie in July 1776 bepaald, dat het opmaaken en beklïden van alle die Ryswerken, zo ter wederzyde, als in den nieuwen Ysfelmond, opentlyk aanbefteed zoude worden: gelyk zulks dan ook in September daar aan volgende is gefchied voor de fom van 7000 guldens.

Uit dit aaneenschakelde Bericht , het geen wy tot das verre de eer gehad hebben, zo kort doenlyk was, onder het oog van U Ed. Groot Mog. te brengen, vertrouwen wy, aan U Ed. Groot Mog. gebleeken te zyn, dat beide die gewichtige ondernemingen, te weeten de Doorgravingen op den Bylandfchen Waard en Pley, van welken wy tot nog toe U Ed Groot Mog. geen verflag gedaan hadden, daadelyk tot dien trap van volmaaktheid gebragt zyn, dat aan derzelver volledig fucces in geenen deele getwyffeld kan worden. — Wel is waar* dat men in het toekomende zo min van deezen, als van eenige andere V/erken op de Rivieren, de handen zalmogen aftrekken, terwyl de meeste een gedurig onderhoud, en veelen eene byzondere attentie vereisfehen zuiLn, om niet wederom in d n voorgaanden ftaat van reddeloosheid te rug te vallen. Edoch dit meenen wy, dat ons niet weerhouden kan, U Ed. Groot Mog. in deezen te rapporteeren, dat thans alle de Werken, by de Conventie van 1771 gearrefteerd, en by Uwer Ed. Groot Mog. opgemelde Refolutien van d n 16 Mey 1771, en 5 November 177a geapprobeerd , met 'er daad ter uitvoer gebragt zyn. Alleen moeten wy hier van excipieeren de fluiting van den ouden Rhynmond; het dekken van het Herwenfche Schaar door Waterwerken,- het leggen van een Krib aan de Lobitfche Wel; en het maaken van een Kribbe tegen over de Doorfnyding van de Pley. Omtrent het eerfte zullen U Ed. Groot Mog. reeds uit het meermaa-

G kn

Sluiten