is toegevoegd aan uw favorieten.

De algemeene en byzondere natuurlyke historie, met de beschryving van des konings kabinet.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

€t DE NATUURLYKE HISTORIE

die in de Aarde, en zelfs in het Zand, gemaakt worden, onderzoekt, zal men bemerken, dat het Water gehéél doorgaat, door de kleine ruimte, welke het zig zeiven graaft; en dat de oevers nauwelyks op eenige duimen afftands in dit Zand nat worden: in de Landen zelve die vrugten en planten draagen, en waar in de doorkleinzing veel grooter zyn moet, dan in het Zand of in de andere gronden, om dat dezelve bevorderd wordt door de kragt der hairbuisjes, bemerkt men niet, dat zy zig verre uitftrekt. Men begiec, men overftroomt, om zo te fpreeken, in een tuin, het eene bed, zonder dat de nabuurige bedden, daar merkelyk door aangedaan worden; ik heb , groote ftukken tuinaarde van agt of tien voeten dikte onderzoekende, welke federt eenige jaaren niet waren omgewend , en welker bovenfte gedeelte ten naaften by waterpas lag, bevonden, dat het Regenwater nooit meer dan tot drie of vier voeten diepte is doorgedrongen; zo dat ik deze Aarde, na een zeer natten Winter , in het voorjaar roerende, den grond dier hoopen zo droog heb gevonden , als toen dezelve was neergelegd. Ik heb dezelfde waarneeming gedaan op Landen, die bykans federt twee honderd jaar gelegen hadden, en alwaar de grond op eene diepte van drie of vier voeten zo droog was als ftof; dus dringt het Water niet zo diep in, of heeft zulk eene verre gemeenfehap met den grond niet, als men gemeenlyk denkt. De weg van kleinzing of doorzypering verfchaft het kleinfte gedeelte Water aan het binnenft der Aarde; maar, van de oppervlakte tot op groote diepten, daalt het hier en daar door zyne eigen zwadj'te neder, het loopt door natuurlyke Buizen of kleine doorgaande openingen, die ftct zig zeiven gemaakt heeft, het volgt de wortels der Boomen, de Klooven der Rotfen, de tulfchenruimtens der Aarde, en verdeelt en verfpreidt zig in eene oneindige menigte kleine takjes en ftraaltjes; altoos nederdaalende, tot dat het een uittogt vindt, na de blauwe Kley, de Leem-aarde, of eenigen anderen vaften grond, daar het op ftaan blyft, te hebben aangetroffen.

Het zoude moeijelyk zyn eene waardecring, die eenigzins nauwkeurig ware, te maaken van de hoeveelheid onderaardfeh Water , 't welk geen biykbaaren uittogt heeft, (a) Verfcheiden Lieden hebben beweerd, dat het zelve al het Water , dat op de oppervlakte der Aarde is, zeer verre overtreft; en zonder te fpreeken van hen die gefteld hebben, dat het binnenft van den Aardkloot volftrektelyk met Water vervuld ware, zyn 'er anderen, die meenen dat 'er eene oneindige menigte Beeken , Rivieren , Meiren , in de diepte der Aarde gevonden worden; maar dit gevoelen, fchoon gemeen, koomt my niet gegrond voor, en ik denk, dat de hoeveelheid van de onderaardfche Wateren, die geen uittogt aan de oppervlakte van den Bol hebben, niet zeer groot is; want byaldien 'er zulk een groot getal onderaardfche Rivieren was, waarom zouden wy dan de monden van zommige derzelver niet aan de oppervlakte zien ; en bygevolg aldaar Bronnen en Wellen, zo dik als Rivieren, belpeuren ? Daarenboven de Rivieren, en alle Stroomende Wateren, brengen zeer groote veranderingen in de oppervlakte der Aarde voort; zyfleepen de gronden mede, holen de Rotfen uit, verplaatzen alles, wat zig tegen hunnen doortogt verzet; dit zoude eveneens plaats hebben in de onderaardfche Rivieren, zy zouden merkelyke veranderingen in 't binnenft van den Bol voortbrengen; maar men heeft daar niets waargenoomen van die veranderingen,

O) Zie het Xde, Xlde en XVIIIde ftuk der Bewyzen,