Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zS , AARDBEEVING.

en derzelver veerkragt te herffellen: fomtyds zelvs word dat Vuur in een vry hevige maate vereischt, om die uitwerking in Lighaamen van zekere foort voort te brengen. De Volkaanen toonen ten overvloede , dat 'er in het hoi Ie der Aarde, Vuuren gevonden worden, die daar toe voldoende kragt bezitten; en wil men nog zyne aandagt vestigen, op het geen 'er in de open Luchtte aanzien van fommige Pyriten gebeurt, zal men ontwaar worden , dat het zelvde ook kan gebeuren , wanneer die in den boezem der Aarde zyn beflooten. Men heeft waargenoomen, dat yzeragtige en zwavelige Pyrüen tot een hoop geftapelt, en aan de Lucht en Vogt bloot gefield, aan't gisten 1 aaken, zich uitvetten , tot zulk een trap verhitten , dat in brand vliegen, en een geweldig vlammend Vuur voort brengen. De Aarde bevat in haare boefem een groot aantal van die Pyriten, daar is ook Water genoeg aanweczig, om die te bevogugen en aan het gisten ie helpen, en Lucht in overvloed om die Vuur te doen vatten. Men ziet dus, du het de Aarde aan geen doffen ontbreekt, welke de eigenfchap bezitten, om geweldige Vuuren voort te b-engen, waar van de hitte verre weg die moet te boven gaan, welke die zelvde doffen zouden vei wekken, in de opene Lucht brandende; de reden hier van is biykbaar; want in de Aarde *ven eens als in een Fornuis of Oven brandende, is de hitte by een verzamelt , en als te zamen gepakt , door de masfa Aarde die dezelve omringd. Die in brand geraakte Pyriterk, verwekken ook. Lucht door het van een fchei.ien van derzelver deelen. En wanneer men zelvs wilde veronderftellen , dat zy 'er geene of ten minften maar zeer geringe voortbrengen, zal het egter voldoende zyn, dat 'er in derzelver nabuurfchap andere zelvftandigheden gevonden worden, die zulks bevatten, en welke als dan aan een geweldig hittend Vuur blootgefteld zynde, derzelver deelen doen ontbinden, en aan de Lucht die 'er in beflooten is haare veerkragt weder geeft, of zich met al dat geweld ontwikkelt, het welk door byzondere proefneemingen is bevestigd, dat gefchieden kan.

Nog zullen wy aanmerken , dat de fimenvloeiiing van Lucht, niet altoos noodwendig vereischt wordt, om Vuur en Vlammen voort te brengen. Men bereid in het luchtledige, mengzels, die op het zelvde ogenblik vuur vatten, dat mende ftoifen onder een mengt : van dien aart is by voorbeeld, dat mengzel, het welk toen uit Olie van Karveiziad , en ter degen overgehaalde Spiritus Ni:ri, vervaardigt; het geen aanmerkenswaardig voorkomt in de vermenging van die beide 2elvftandigheden, beftaat in de verbaazende hoeveelhe ds Lucht welke zich ontwikkeld, en deszeivs veer. kragt met een onbegryplyk geweld weder herfteld. Want Dr. Slare die de uitvinder is van die proefneeming, nam flegts eene drachma Spiritus Nitri, deheift van die hoeveelheid Olie van Karveizaad, en hy ver. mengde die in een Recipiënt van zes duimen diameters en die meer als agt duimen hoogte hield, waar uit hy de Lucht hadt gepompt; op het eigen ogenblik dat men de menging volvoerde, geraakten de ftoffen in brand, de Recipiënt vloog in de Lucht en fpsong aan ftukken.. Welk was dan de hoeveelheid Lucht in zulk eene kleine masfa- bevat-, en niet welk eene kragt heeft zich die ontwikkeld, om in het eerfte ogenblik de Recipiënt opte vullen, en die met eene voldoende kragt op te heffcn verre weg de buiten Lucht welke op de Recipiënt

AARDEEEVING.

werkte, te boven gaande? De Scbeyiaindigcn hebben ontdekt, dat 'er nog veele andere zelvftandigheden in het Ryk der Natuur gevonden worden, die met anderen vermengd zynde, onderling verhitten en veel Lucht voortbrengen. Zouden "er dan gene- overeenkomftige ftoffen, met die waar van wy fpretken in de boezem der Aarde gevonden worden , die onder een gemengt zynde, in brand vliegen, of tot zulk eene trap verhit worden , dat in ftaat zyn om een verbaazende hoeveelheid Lucht te doen ontwikkelen , zodaanig men van eene Werkplaats als die der Natuur, moet verwagten ? Deeze ogenblikkelyke hervoortbrenging der Lucht, zou volkomen ftrooken met al het geen men in de Aardbeevingen ontwaar wordt, v/aar van de Schuddingen altoos ogenblikkelyk en fchielyk voorvallen. Maar het is om 't even, op welk eene wyze de Lucht op nieuw in de boezem der Aarde mag hervoortgebragt worden, indien 'er maar een genoegzaame hoeveelheid van voor handen is , zo zal dezelve de klomp Aarde die haar weerhoud, opligten, zoeken te onfnappen, en zich niet een vreesfelyk geweld , in alle de wegen of openingen welke in de grond ontmoet, verfpreiden; en, indien 'er ais dan nog te naauw in beperkt is, zal hy den gantfehen grond daar hy door trekt, doen daveren. Hier aan moet men toefchryven, dat ai Ie Aardbeevingen met een buitengemeen doof geluid verzeld gaan , en dat men fomtyds zodaanig geraas hoort , zonder Schuddingen ontwaar te worden; oin reden, dat de l-.ucbt als dan kanaalen ontmoet , die ruimte genoeg hebben om daar aan eene doortocht te verleenen.

Bezig zynde mee eene optelling te doen , van de oorzaaken der Aardbeevingen, moeten wy het gevoelenvan fommige Natuuronderzoekers niet verzwygen, die de gedachten voeden, dat dezeiven voor een uitwerkzei van de Electriciteit moet gehouden worden.

De eerfte die beweerd heeft, dat de Aardbeevingen waarfchynelyk door de Eleccriciteit voortgebragt wierden, wasDr. Stukeley, ter gelegenheid van de Schuddingen die den 8 Febr. en 8 Miart 1749, en nog eene op den 30 Septemb. 1750 te Londen voorvielen, en in verfcheidene andere Oorden van Eng-lmd zyn gevoelt geworden.

Wy zullen hier flegrs de voornaamfte redenen bybiengen, waar op hy zyn gevoelen grondvest; ismen begeerig om 'er een omftandig bericht van te leezen, men vindt die Verhandelingen in hun geheel geplaatse by M. Priestley Gefchiedenis der Eleccriciteit, en in de Philophical TransaQions, waar na toe wy onze Leezers verwyzen.

In den aanvang zegt hy , dat men uit verfcheidene omftandigheden die de Aardbeevingen verzeilen , kan befluiten dat zy uit geen Winden, Vuuren of onderaardfche Dampen, noch eenige andere Stoffen, welke uitdryving veroorzaakt of de grond opligt, voortkomen. Want zegt hy, daar is geen biykbaar bewys voor handen , daf 'er in de boezem der Aarde, holen van eenige grootte en uitgeftrektheid gevonden worden; maar dat'er in tegendeel veel meer redenen zyn, om te denken, dat zy vooreen groot gedeelte vasten in een gedrongen is, en dus weinig plaats overlaat, om inwendige veranderingen sn gistingen uit te werken. De uitgeftrektheid der Oppervlakte door eene Aardbeeving bewogei?, is volgens jenj, nog eene reden , welke moet verhinderen, dat menht uitwerkzel aan geene opltyging van onderaardfche Oampen, kan toefchryven. Want hy gelooft niet., dat 'er-

in:

Sluiten