is toegevoegd aan uw favorieten.

De algemeene en byzondere natuurlyke historie, met de beschryving van des konings kabinet.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

233 DE NATUURLYKE HISTORIE.

die flegts in ondcrftelle, het koomt op hetzelfde uit met opzigt tot de meefte gevolgtrekkingen, welke men 'er uit kan afleiden, en ik zou niet vreemd zijn van te gelooven dat de Heer Rameau, in plaats van dat beginzel in de Natuur gevonden te hebben, het uit de vergelijkingen van de beoefening zijner konst getrokken heeft; hij heeft gezien dat hij met deeze onderftclling alles verklaaren kon, toen heeft hij dezelve ook aangenoomen en gezogt haar in de Natuur te vinden. Maar beflaat zij 'er wel in? is het wel waar dat, zoo dikwijls men eenen klank hoort, men drie verfchillende klanken hoort? niemand hadt zulks voor den Heer Rameau befpeurd; het is dan een verfchijnzel, dat op zijn best in de Natuur alleen voor muzijkkundige ooren beftaat; dit fchijnt de Schrijver toeteftemmen, als hij zegt dat zij, die ongevoelig zijn voor het vermaak van de muzijk , ongetwijfeld flegts den grond - klank hooren en dat zij, die het oor zoo gelukkig gefteld hebben om te gelijk en den grond-klank en de bijkoomende klanken te hooren, noodzaaklijk zeer gevoelig zijn voor de aangenaamheid der harmonie. Deeze isweêr eene andere onderflelling, die, wel verre van de eerfte te bevestigen, ons flegts aan dezelve zal doen twijfelen. Een wezenlijk vereischte van een natuurlijk en indedaad in de Natuur plaats hebbende verfchijnzel is dat het algemeen zij en algemeenlijk van alle menfchen befpeurd worde; maar hier bekent men dat 'er flegts een klein getal menfchen is, die in ftaat zijn het te onderkennen; de Schrijver zegt dat hij de eerfte is die het gemerkt heeft, dat de Muzijkfpeelers het zelfs niet befpeurd hadden. Dat verfchijnzel is dan ook niet algemeen, noch wezenlijk; het beftaat niet dan voor den Heer Rameau en voor enige even muzijkaale ooren.

De proeven, door welke de Schrijver zigzelven heeft gezogt te bewijzen dat een klank, van twee andere klanken verzeld is, van welke de een de twaalfdeen de ander de zeventiende bovendienzelfdcnklank is, fchijnen mij toe niet beflisfende te zijn; want de Heer Rameau zal moeten bekennen dat het in de fcherpe klanken en zelfs in alle de gewoone klanken niet mogelijk is te gelijk den twaalfden en den zeventienden naar boven te hooren en hij is genoodzaakt te bekennen dat die verzeilende klanken niet gehoord worden dan in de grove klanken, gelijk die van eene groote klok, of van eene lange fnaar ; de ondervinding, in plaats van hier een algemeen feit te geeven, geeft, gelijk men ziet, zelfs voor muzijkaale ooren flegts een bijzonder feit, en nog zal dat bijzonder feit verfchillend zijn van hetgeen de Schrijver beweert; want een muzijkant, die nooit van het ftelzel van den Heer Rameau hadde hooren fpreeken, zou misfehien de twaalfde en de zeventiende in de grove klanken ook niet hooren; en al zeide men hem van te vooren dat de klank van die grove klok, dien hij hoort, geen enkelvoudige klank is, maar een klank uit drie klanken beftaande, zou hij kunnen toeftemmen dat hij indedaad drie klanken hoorde, maar hij zou zeggen dat die drie klanken de grond-klank, de tiers en de quint waren.

Het zou den Heer Rameau dan veel gemaklijker gevallen zijn deeze laatfte betrekkingen te doen aanneemen dan die, welke hij gebruikt, als hij gezegd hadd' dat elke klank uit den aart uit drie klanken is zaamengefteld, te