Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELSTOFFEN. 21 Zelfs zij, die dikwerf aan uw tafel zijn vergast, Verfcheuren u, om dus hunn' heeten trek te boeten,

Hunn' trek naar goed en bloed, die, eindlijk uitgevast, Thans wil met klaauwe en tand in uwen boezem wroeten:

Waarin het rottend vleesch tot vuilen etter fmelt, Die t' faamgedrongen zal ter open wonde uitfpatten.

Dan, ijdel is dit woord, 't is vruchteloos gemeld. Het waanwijs onverftand kan deeze taal niet vatten.

Neen. Ezau is te blind, hij wil 't gevaar niet zien, Dat zijnen fchedel dreigt, och, mogt hij 't nog bezeffen!

In tijds te rugge trecn.' om dus het kwaad te ontvlien, Dat op hem aanflapt om ten dood toe hem te treffen.

Ai hoor verbasterd zaad, wees toch niet eeuwig doof. Laat u door de ijdelheid zo vast in flaap niet wiegen.

Veracht mijn dreigen niet, geef, geef dit woord geloof. Ik ben de Heer, die fpreekt, geen mensch gewoon te liegen.

Dat zult gij zien, wanneer mijne onweerfhanbre hand, Gewapend met de wraak, in die gedreigde fïonden, Uw fchrandre raadsliên zal bcrooven van verfiand, Zodat er in uw rijk geen wijsheid werdt gevonden.

C 3 Wat

Sluiten